96
De sluitertijd instellen
Als u de sluitertijd instelt, selecteert de camera automatisch een
bijpassende diafragmawaarde die is afgestemd op de helderheid.
Kortere sluitertijden bieden u de mogelijkheid om een momentopname
te maken van een bewegend onderwerp, terwijl u met langere
sluitertijden een uitvloeieffect krijgt en u de mogelijkheid hebt om
zonder flitser opnamen te maken in donkere omstandigheden.
1
Stel het programmakeuzewiel
in op
2
Stel de sluitertijd in.
1. Gebruik de instelknop om de
sluitertijd te wijzigen.
• Wanneer u de instelknop gebruikt,
wordt de
kan de sluitertijd worden gewijzigd.
3
Maak de opname.
• Als de diafragmawaarde rood wordt weergegeven, is het
beeld onderbelicht (onvoldoende belicht) of overbelicht
(te veel belicht). Gebruik de instelknop om de sluitertijd aan
te passen totdat de diafragmawaarde wit wordt weergegeven
(u kunt ook de Safety Shift gebruiken
Beschikbare opnamemodi
.
-balk weergegeven en
Sluitertijd
(p.
97)).
p. 299
-balk