De offset van het analoge signaal wordt bepaald door parameter F18 en C50.
De versterking voor de spanningsingang (klem 12) wordt ingesteld met de
parameters C32 en C34.
De versterking voor de stroomingang (klem C1) geschiedt door C37 en C39.
Door het programmeren van deze parameters, is het stuursignaal onafhankelijk van het
0-punt.
Voor verdere uitleg over de versterking zie pagina 38
F18
Offset voor de analoge ingang (klem 12 of klem C1).
Is de offset groter als de maximale frequentie, wordt hij op de maximale
frequentie begrenst.
Instelbereik: -100 tot 100%
Standaardinstelling: 0,0%
C50
Referentiepunt voor de offset
Instelbereik: 0 tot 100%
Standaardinstelling: 0,0%
Voorbeeld: een stuursignaal van 1 – 5VDC wordt gebruikt om de snelheid te
regelen tussen 0Hz en de maximale frequentie.
1VDC komt dus overeen met 0Hz. Daarom wordt F18 = 0 ingesteld. Daar
1VDC het referentiepunt is en gelijk aan 10% van het maximale stuursignaal
wordt C50 = 10%.
Voor verdere uitleg met betrekking tot de versterking zie blz.38
21
Resolutie: 0,01%
Te veranderen tijdens bedrijf.
Resolutie: 0,01%
Te veranderen tijdens bedrijf.
F-parameters