INSTALLATIE- EN PROGRAMMEERHANDLEIDING
4. BEDIENDEEL COMMANDO'S
3.3 PROGRAMMEREN VAN HEXADECIMALE GEGEVENS
Soms moeten hexadecimale (HEX) gegevens worden ingevoerd.
Om een HEX teken in te voeren, drukt u op de [*] toets. Het systeem schakelt dan over van DEC naar HEX
programmering en het "Veilig" lampje begint te knipperen.
Volgend overzicht geeft aan welk cijfer moet worden ingedrukt om het overeenkomstig HEX teken in te voeren
1 = A
2 = B
3 = C
Nadat het juiste HEX teken is ingevoerd, blijft het "Veilig" lampje knipperen. Indien een ander HEX teken
vereist is, drukt u het overeenkomstige nummer in. Is een decimaal teken nodig, dan drukt u opnieuw op [*].
Het "Veilig" lampje gaat dan continu branden en het systeem is teruggeschakeld naar de Decimale
programmering.
Voorbeeld: Om "C1" in te voeren voor inschakeling door gebruiker 1 moet u [*] [3] [*], [1] invoeren.
om de hexadecimale modus in te schakelen ("Veilig" lampje gaat knipperen);
[*]
[3]
om de C in te voeren;
om terug te gaan naar de decimale modus ("Veilig" lampje brandt continu);
[*]
[1]
om het cijfer 1 in te voeren;
OPMERKING: Het is belangrijk om het "Veilig" lampje in het oog te houden. Als het knippert, zal elk
nummer dat u indrukt worden geprogrammeerd als zijn HEX equivalent.
Als u een puls communicatie protocol gebruikt zal een decimale nul [0] niet worden verzonden.
Het cijfer nul [0] zal geen pulsen zenden en wordt als opvul teken gebruikt.
Om een echte nul [0] te versturen moet die geprogrammeerd worden als een hexadecimale "A".
Voorbeeld: om het driecijferig klantennummer "403" in te voeren, moet u [4], [*] [1] [*] [3], [0] invoeren.
[4]
om het cijfer 4 in te voeren;
om de hexadecimale modus in te schakelen ("Veilig" lampje gaat knipperen);
[*]
[1]
om A in te voeren;
om terug te gaan naar de decimale modus ("Veilig" lampje brandt continu);
[*]
[3]
om het cijfer 3 in te voeren;
[0]
om het teken 0 als opvulteken in te geven;
3.4 PROGRAMMEREN VAN PARAMETERS MET AAN / UIT OPTIE
Sommige parameters bevatten verscheidene aan / uit opties. Een optie is geselecteerd wanneer het
desbetreffende (optie) nummer wordt weergegeven. Gebruik het invulformulier om na te gaan wat een optie
inhoud of de betreffende indicatie voor uw toepassing AAN of UIT moet zijn.
Door de bijbehorende toets te bedienen kan de optie AAN of UIT geschakeld worden. Een optie is AAN
geschakeld.
wanneer de bijbehorende groepenindicatie oplicht, en de optie is UIT geschakeld wanneer de bijbehorende
groepenindicatie is gedoofd. Alle opties kunnen ineens worden UIT geschakeld door de [0] te bedienen.
Zijn de functies van deze parameter gewijzigd, dan kan de [#] toets worden bediend.
4 = D
5 = E
6 = F
Centraal Controle Paneel
PC1616-PC1864