Symptoom
Hoewel de camera is
ingesteld op automatisch
scherpstellen, stelt hij niet
scherp.
Een foto is onscherp.
De flitser wordt niet
gebruikt. Of de flitser
wordt niet opgeladen.
De foto is donker, zelfs
wanneer de flitser wordt
gebruikt.
Het beeld is te licht.
Het beeld is te donker.
134
Oorzaak
De lens of het AF-venster is vuil.
Het onderwerp staat niet in het
midden van het opnamebereik.
Het is een onderwerp dat lastig is om
scherp te stellen.
U heeft de camera bewogen toen u
de ontspanknop indrukte.
Wanneer u onder donkere
omstandigheden (bijvoorbeeld
binnen) foto's maakt, wordt de
sluitertijd trager en kunnen foto's
onscherp worden.
De opnamestand staat op R
(Serieopnamen) of 3 (Film).
De flitser is ingesteld op
(Flitser uit).
De batterijen zijn bijna leeg.
De afstand tot het onderwerp is meer
dan 2,1 meter in Telephoto of meer
dan 2,7 meter in Groothoek.
Het onderwerp is donker.
De hoeveelheid licht van de flitser is
niet voldoende.
De foto is overbelicht.
Het LCD-scherm is te licht of te
donker.
De foto is onder donkere
omstandigheden genomen terwijl de
camera was ingesteld op
(Flitser uit).
De foto is onderbelicht.
Het LCD-scherm is te licht of te
donker.
Oplossing
Veeg af met een zachte, droge doek.
Maak de foto met
scherpstellingsvergrendeling.
Maak de foto met
scherpstellingsvergrendeling of
handmatige scherpstelling.
Houd de camera vast met beide
ellebogen stevig tegen uw lichaam. Of
gebruik een statief.
Gebruik de flitser. Of verhoog de
filmgevoeligheid.
Zet de opnamestand op 5 (Foto).
Deselecteer Flitser uit met de knop F.
Wanneer u alkalinebatterijen gebruikt,
moet u de batterijen vervangen.
Wanneer u oplaadbare batterijen
gebruikt, moet u de batterijen opladen of
de netadapter gebruiken.
Ga dichter bij uw onderwerp staan en
maak de foto.
Corrigeer de belichting. (De
belichtingscorrectie wijzigt ook de
hoeveelheid licht van de flitser.)
Ga verder van het onderwerp staan of
verlicht het onderwerp en maak een foto
zonder flits.
Gebruik de belichtingscompensatie.
Annuleer de belichtingstijd.
Pas de helderheid van het LCD-scherm
aan.
Deselecteer Flitser uit met de knop F.
Gebruik de belichtingscompensatie. Stel
in op de belichtingstijd.
Pas de helderheid van het LCD-scherm
aan.
Zie
p.12
p.29
p.29
p.61
p.25
p.33
p.55
p.12
p.33
p.16
p.33
p.52
p.33
p.52
p.68
p.98
p.33
p.52
p.68
p.98