Controle vóór het gebruik
Voer elke dag de volgende controles uit voordat u de
spuitmachine gaat gebruiken.
• Bandenspanning controleren.
Opmerking: Deze banden zijn anders dan autobanden:
zij vereisen een lagere spanning om compactie en
beschadiging van de grasmat te voorkomen.
• Controleer het peil van alle vloeistoffen. Indien het peil
te laag is, moet u bijvullen met de vereiste hoeveelheid
vloeistof overeenkomstig de specificaties.
• Controleer of het rempedaal werkt.
• Controleer of de verlichting werkt.
• Zet de motor af en controleer op olielekken, losse
onderdelen en andere waarneembare defecten.
Indien een van bovengenoemde zaken niet in orde is, moet
u de monteur hiervan op de hoogte stellen of contact
opnemen met de bedrijfsleiding voordat u die dag met de
spuitmachine gaat werken. De bedrijfsleiding kan u
verzoeken dagelijks andere controles uit te voeren. Vraag
daarom wat uw taken zijn.
Motor starten
1. Neem plaats op de bestuurdersstoel en haal u voet van
het tractiepedaal.
2. Stel de parkeerrem in werking, zet het tractiepedaal in
de neutraalstand en zet het gaspedaal op Langzaam.
3. Draai de contactschakelaar op Aan/Voorgloeien.
Opmerking: Een automatische tijdschakelaar zorgt
ervoor dat de motor 6 seconden wordt voorgegloeid.
4. Daarna draait u het sleuteltje op Start.
5. Laat de motor bij het starten niet langer dan
15 seconden draaien.
6. Laat het sleuteltje los zodra de motor start.
7. Als de motor nogmaals moet worden voorgegloeid,
draait u het sleuteltje eerst op Uit en vervolgens op
Aan/Voorgloeien.
Opmerking: Herhaal indien nodig de stappen 3 tot 7.
8. Laat de motor stationair of op halfgas lopen totdat deze
is opgewarmd.
Het brandstofsysteem
ontluchten
1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.
2. Zorg ervoor dat de brandstoftank minstens half vol is.
Gevaar
In bepaalde omstandigheden zijn dieselbrandstof
en brandstofdampen uiterst ontvlambaar en
explosief. Brand of explosie van brandstof kan
brandwonden of materiële schade veroorzaken.
• Gebruik een trechter of tuit; brandstof
uitsluitend in de open lucht bij een afgezette of
koude motor bijvullen. Eventueel gemorste
brandstof opnemen.
• Vul de brandstoftank niet helemaal vol. Vul de
brandstoftank tot maximaal 2,5 cm vanaf de
onderkant van de vulbuis. Dit geeft de brandstof
in de tank ruimte om uit te zetten.
• Rook nooit wanneer u met brandstof bezig bent
en houd de brandstof weg van open vlammen of
vonken.
• Bewaar de brandstof in schone, goedgekeurde
containers en zorg dat de dop op zijn plaats
blijft.
3. Open de ontluchtingsplug op het
brandstoffilter/waterafscheider (Fig. 14).
1
Figuur 14
1. Brandstoffilter/wateraf-
scheider
4. Draai het contactsleuteltje op Aan.
Opmerking: De elektrische brandstofpomp begint te
werken. Hierbij komt er lucht bij de ontluchtschroef
naar buiten.
5. Laat het sleuteltje op Aan staan totdat er een volle straal
brandstof bij de schroef naar buiten komt.
6. Zet de ontluchtschroef weer vast en draai het sleuteltje
op Uit.
19
2
2. Ontluchtingsplug