~
Het proces moet zo zijn ingesteld
dat geen schuim uit de spoelruimte
komt. Uitstromend schuim kan van in-
vloed zijn op het veilig functioneren van
de automaat.
~
Controleer het behandelingsproces
regelmatig op schuimvorming.
~
Om schade te voorkomen aan de
automaat en de gebruikte toebehoren
(door inwerking van
proceschemicaliën, verontreinigingen
en de wisselwerking tussen deze stof-
fen) dient u de aanwijzingen uit het
hoofdstuk "Chemische procestechniek"
in acht te nemen.
~
Wanneer voor een toepassing be-
paalde proceschemicaliën worden aan-
bevolen (bijvoorbeeld een reinigings-
middel), betekent dit niet dat de fabri-
kant van het apparaat ook aansprakelijk
is voor het effect van het middel op het
spoelgoed. Houd er rekening mee dat
veranderingen in formules en opslag-
voorschriften die niet afkomstig zijn van
de fabrikant van de chemicaliën het re-
sultaat kunnen beïnvloeden.
~
Let bij gebruik van
proceschemicaliën altijd op de aanwij-
zingen van de fabrikant. Gebruik de
proceschemicaliën alleen voor toepas-
singen die door de fabrikant worden
aangegeven. Hiermee voorkomt u ma-
teriële schade en eventuele heftige
chemische reacties (bijvoorbeeld een
gasexplosie).
Veiligheidsinstructies en waarschuwingen
~
Bij toepassingen waarbij zeer hoge
eisen aan het resultaat worden gesteld,
raden wij u aan de voorwaarden voor
het reinigingsproces
(proceschemicaliën, waterkwaliteit,
etc.) van te voren met Miele te
bespreken.
~
Als er zeer hoge eisen aan het
reinigings- en naspoelresultaat worden
gesteld (bijvoorbeeld bij chemische
analyse), moet de exploitant regelmatig
kwaliteitscontroles uitvoeren om de
behandelingsstandaard te waarborgen.
~
Wagens, rekken en inzetten mogen
alleen volgens de voorschriften worden
gebruikt. Holle instrumenten moeten
van binnen goed doorgespoeld kunnen
worden.
~
Schalen, bakjes en dergelijke die
nog vloeistofresten bevatten, moeten
geleegd worden vóórdat u ze in de au-
tomaat plaatst.
~
Op het spoelgoed mogen hooguit
resten van oplosmiddelen en zuren
voorkomen als u het in de automaat
plaatst. Dit geldt met name voor zout-
zuur en chloridehoudende oplossingen.
Dit geldt ook voor stoffen die corrosie
kunnen veroorzaken. Van oplosmid-
delen in verbinding met vuil mogen
slechts sporen aanwezig zijn. Dit geldt
met name voor gevarenklasse A1.
~
Om schade door corrosie te ver-
mijden, mag de roestvrijstalen omman-
teling niet in aanraking komen met zout-
zuurhoudende oplossingen en
dampen.
9