9. Eigenschappen van de transistor-uitgangen.
SwitchPilot
Voor het configureren van de eigenschappen van de transistoruitgangen 1 tot 4, krijgt iedere uitgang een configuratie
CV: CV 3 is verantwoordelijk voor uitgang 1, CV 4 voor uitgang 2 , CV 5 voor uitgang 3 en CV 6 voor uitgang 4.
9.1. Configuratie als een continue impulsduur (k83).
Schrijf de waarde 0 in de passende configuratie CV. De uitgang zal zich dan gedragen als volgt: de uitgang is
geactiveerd zolang de bijbehorende knop op het bedieningspaneel ingedrukt is. Pas na het loslaten wordt de uitgang
onmiddellijk uitgeschakeld. Dit is bijvoorbeeld handig voor ontkoppelrails.
9.2. Configuratie als ingestelde impulsduur.
Indien u wilt dat de impulsduur een ingestelde lengte heeft, ongeacht de duur van de toetsdruk, schrijf een waarde
tussen 2 en 31 in de configuratie CV. De waarde bepaalt de impulsduur als een veelvoud van 65ms. Hoe groter de
waarde, hoe langer de impuls.
Voorbeeld:
U wilt een uitgangsimpuls van ongeveer een seconde zenden. Schrijf de waarde 15 in de CV
(15 X 65 ms = 975 ms).
9.3. Configuratie voor PECO wissels
Als u een PECO wissel aan een uitgang aansluit, schrijf de waarde 1 in de overeenkomstige
CV. Dit past de overstroombeveiliging aan wegens het hogere stroomverbruik van deze aandrijving.
!! Indien u PECO wissels wilt gebruiken, moet de SwitchPilot door een externe transformator gevoed worden met een
voldoende hoge spanning. Zie paragraaf 6.5.
9.4. Configuratie als knipperlicht.
Als u beide transistor-uitgangen afwisselend wilt knipperen (bijvoorbeeld voor een Andreaskruis), schrijf dan een
waarde tussen 32 en 63 in de CV. De waarde bepaalt de inschakeltijd (knipperduur) als een veelvoud van 130 mS.
9.5. Configuratie als continue uitgang (k84)
Wilt u dat afwisselend één van beide transistoruitgangen actief blijft totdat de andere schakelt, zo schrijf de waarde
64 in de CV.
9.6. "Zoom" effect van de uitgangen
Voor een bijzonder realistisch op- en afzetten van lichtsignalen, is het mogelijk een 'zoom' effect naar wens aan elke
uitgang toe te wijzen. Verantwoordelijk hiervoor is CV 34 . Raadpleeg de tabel in hoofdstuk 18.
10. Eigenschappen van de servo-uitgangen.
Aan elke servo-uitgang kunnen twee eindposities 'A' en 'B ' en ook een draaisnelheid toegewezen worden. Bovendien
kunt u de impulsopwekking beïnvloeden en bepalen of de stroomvoorziening van de servo moet onderbroken
worden.
Indien uw digitale centrale de hoofdspoorprogrammering (Programming on Main = POM) ondersteunt, kunt u de
instelling in werkend bedrijf uitvoeren . Verander de inhoud van de bijbehorende CV's geleidelijk totdat de servo de
gewenste positie aangenomen heeft.
Indien u een SwitchPilot Servo gebruikt, raden wij u aan de eindpositie met behulp van de invoereenheid in te stellen
(zie paragraaf 10.4).
10.1. Configuratie van de servo-eindpositie "A".
De positie 'A' van de servo wordt in CV's 38, 41, 44 en 47 ingesteld. De exacte waarde is afhankelijk van de gebruikte
servo en de installatie ervan. Dit kan alleen experimenteel worden bepaald.
10.2. Configuratie van de servo-eindpositie "B".
De positie 'B' van de servo wordt in CV's 39, 42, 45 en 48 ingesteld. De exacte waarde is afhankelijk van de gebruikte
servo en van de installatie ervan. Dit kan alleen experimenteel worden bepaald.