5. Vacuümpomp
6. Vulslang
7. Afsluiter vloeistofzijde
8. Afsluiter gaszijde
9. Afsluitklep onderhoudsaansluiting
10. Afsluiter B
11. Afsluiter C
12. Afsluiter A
13. Buitenunit
14. Koelmiddelvulaansluiting
15. Naar binnenunit
16. Leidingen tussen units
17. Stroomrichting van koelmiddel
Status van afsluiters A, B
en C en afsluitkleppen
A
Lektest, vacuümdrogen
(Sluit afsluiter A en de
afsluitkleppen veilig.
Sluiten Openen Openen Sluiten
Anders komt het
koelmiddel in de unit vrij.)
Opmerking
• De lektest en het vacuümdrogen moeten
gebeuren via de onderhoudsopeningen van
de afsluiters aan de vloeistofzijde en gaszijde.
Zie het [R410A] label dat bevestigd is aan de
voorplaat van de buitenunit voor bijzonderhe-
den over de locatie van de onderhoud-
saansluiting (zie afbeelding rechts).
• Zie [Gebruik van de afsluiter] in "11-1 Alvo-
rens met het werk te beginnen" voor details
over de behandeling van de afsluiter.
• De koelmiddelvulaansluiting wordt aangeslo-
ten op de unitleiding.
Bij het verlaten van de fabriek is de unit met koelmiddel gevuld,
dus wees voorzichtig bij het bevestigen van de vulslang.
8-2 Methode lektest en vacuümdrogen
Voer na het voltooien van het leidingenwerk een lektest en vacuüm-
drogen uit.
<Lektest>
Voer de druk in de vloeistof- en gasleidingen op tot 3,3 MPa
(33 bar) (gebruik geen hogere druk dan 3,3 MPa (33 bar)). Als de
druk binnen 24 uur niet terugloopt, is het systeem lekvrij.
Als de druk terugloopt, het systeem controleren op lekkages, rep-
araties maken en de lektest nogmaals uitvoeren.
<Vacuümdrogen>
Maak het systeem van de vloeistof- en gasleidingen luchtledig
door gedurende meer dan 2 uur een vacuümpomp te gebruiken en
breng het systeem naar –100,7 kPa of minder. Houd het systeem
gedurende minimaal 1 uur in deze toestand en controleer of de
vacuümmeter al dan niet omhoog gaat. Als de meter omhoog
gaat, is er ofwel vocht in het systeem aanwezig of het systeem is
lek.
Opmerking
Ga als volgt te werk als er mogelijk vocht in het systeem aan-
wezig is.
(Bijvoorbeeld, als het werk tijdens een regenperiode is uitgev-
oerd, of als het werk langere tijd geduurd heeft en er condens in
de leidingen is terechtgekomen of als tijdens het werk regen in
de leidingen is terechtgekomen, enz.).
(1) Na het uitvoeren van het vacuümdrogen gedurende 2 uur, het
systeem met stikstofgas op een druk brengen van 0,05 MPa
(lucht toelaten), vervolgens met behulp van een vacuümpomp
gedurende 1 uur een onderdruk pompen van –100,7 kPa (vacu-
ümdrogen).
(2) Als de druk niet –100,7 kPa bereikt nadat het systeem gedurende
tenminste 2 uur is leeg gepompt, het proces van lucht toelaten -
vacuümdrogen herhalen.
Houd na het vacuümdrogen het vacuüm gedurende 1 uur aan en
controleer met behulp van een vacuümmeter of de druk niet oploopt.
14
Afsluiter
afsluitklep
Vloeistof-
Gas-
B
C
zijde
zijde
Sluiten
[R410A] label
9.
LEIDINGISOLATIE
• De leidingen moeten worden geïsoleerd nadat "8. LEKTEST EN
VACUUMDROGEN" werd uitgevoerd.
• Isoleer altijd de leidingen aan de vloeistofzijde en aan de gaszijde
in de leidingen tussen de units en de koelmiddelaftakkingset. Het
niet isoleren van de leidingen kan lekkage of brandwonden vero-
orzaken. (De leidingen aan de gaszijde kunnen temperaturen tot
120°C bereiken. Controleer of de gebruikte isolatie bestand is
tegen dergelijke temperaturen.)
• Verstevig de isolatie op de koelmiddelleidingen al naargelang de
installatieomgeving. Aan de buitenzijde van de isolatie kan zich
condens vormen.
Omgevingstemperatuur: 30°C, vochtigheidsgraad: 75% tot
80% RH: Min. dikte: 15 mm.
Als de omgevingstemperatuur hoger is dan 30°C en de
vochtigheidsgraad 80% RH, dan is de minimum dikte 20 mm.
• Als de mogelijkheid bestaat dat condensatie op de afsluiter in de
binnenunit druppelt via de openingen in de isolatie en de leidin-
gen omdat de buitenunit hoger geplaatst is dan de binnenunit,
enz, moet dit worden voorkomen door de verbindingen te stuiken,
enz. (Zie afbeelding 29)
• Na het openen van een uitdrukopening moet het leidinguitvoer-
gatdeksel bevestigd worden. (Zie afbeelding 30)
• Als de kans bestaat dat kleine dieren en dergelijke het apparaat
binnendringen door het leidinguitvoergat, het gat afsluiten met
afdichtmateriaal (ter plaatse te betrekken) na het voltooien van
"11. EXTRA KOELMIDDEL BIJVULLEN EN SYSTEEM TES-
TEN". (Zie afbeelding 30)
(Zie afbeelding 29)
1. Afsluiter vloeistofzijde
2. Afsluiter gaszijde
3. Leidingen tussen binnenunits
4. Isolatiemateriaal
5. Stuiken, enz.
6. Koelmiddelvulaansluiting
(Zie afbeelding 30)
1. Leidinguitvoergatdeksel
2. Open een uitdrukopening bij "
3. Dicht "
".
4. Leidingen vloeistofzijde
5. Leidingen gaszijde
Opmerking
• Na het uitkloppen van de openingen wordt het aanbevolen de
oneffenheden van de uitdrukopeningen bij te werken (zie afbee-
lding 30) en de randen en de gedeelten rondom de randen te ver-
ven met reparatieverf.
10. CONTROLEREN VAN DE APPARAT-
UUR EN DE INSTALLATIECONDITIES
Controleer de volgende punten.
Voor diegenen die de elektrische verbindingen maken
1.
Controleer op defecten in de besturingsbedrading of loszittende
moeren.
Zie "7-4 Aansluiten van de transmissiebedrading".
2.
Controleer op defecten in de voedingsbedrading of loszittende
moeren.
Zie "7-5 Aansluiten van de voedingsbedrading".
3.
Is de isolatie van het hoofdvoedingscircuit verouderd?
Meet de isolatie en controleer of de isolatie boven de normale
waarde is overeenkomstig de betreffende plaatselijke en lan-
delijke bepalingen.
Voor diegenen die de leidingen aanleggen
1.
Zorg ervoor dat de leidingdiameter correct is.
Zie "6-1 Keuze van het leidingmateriaal en de koelmid-
delaftakkingset".
2.
Zorg ervoor dat alle isolatiewerk is uitgevoerd.
Zie "9. LEIDINGISOLATIE".
3.
Zorg er voor dat er geen defect is in de koelmiddelleiding.
Zie "6. KOELMIDDELLEIDINGEN".
".
Nederlands