• Dieselbrandstof is uiterst ontvlambaar. Wees daarom
voorzichtig als u ermee omgaat.
– Gebruik een goedgekeurde brandstofcontainer.
– Verwijder nooit de dop van de brandstoftank
wanneer de motor loopt of heet is.
– Rook nooit als u omgaat met brandstof.
– Vul de brandstoftank tot ongeveer 2,5 cm vanaf de
bovenkant van de tank (de onderkant van de
vulbuis). Doe dit in de openlucht. Niet te vol vullen.
– Neem eventueel gemorste brandstof op.
• Gebruik uitsluitend een goedgekeurd vat of blik, dat
niet van metaal is vervaardigd. Als gevolg van statische
ontlading kunnen brandstofdampen in een ongeaard
brandstofvat tot ontbranding komen. Voordat u het
brandstofvat vult, moet u dit uit de laadbak van het
voertuig halen en op enige afstand van het voertuig op
de grond plaatsen. Zorg ervoor dat de vulpijp tijdens het
vullen voortdurend in contact met het vat is. Verwijder
werktuigen uit de laadbak voordat u het vat vult.
• Controleer elke dag of de interlockschakelaars goed
functioneren. Als een schakelaar defect is, moet u deze
vervangen voordat u het voertuig gebruikt. Vervang om
de twee jaar de interlockschakelaars van het
veiligheidssysteem, ongeacht of ze wel of niet naar
behoren functioneren.
Tijdens het gebruik
• De bestuurder en de passagier moeten de
veiligheidsgordels gebruiken en op de stoel blijven
zitten als het voertuig in beweging is. De bestuurder
moet indien mogelijk het stuurwiel met beide handen
vasthouden en de passagier moet de aangebrachte
handgrepen gebruiken. Houd uw armen en benen te
allen tijde binnen het voertuig. Vervoer nooit passagiers
in de bak of op de werktuigen. Denk eraan dat uw
passagier niet altijd weet wanneer u gaat remmen of een
bocht gaat maken, en wellicht daarop niet is voorbereid.
• Let erop dat u het voertuig niet te zwaar belaadt. Het
naamplaatje (midden onder het dashboard) geeft het
maximumgewicht voor het voertuig aan. U mag de
werktuigen nooit te zwaar beladen of het maximaal
toelaatbare totaalgewicht van het voertuig
overschrijden.
• Als u de motor start:
– Neem plaats op de bestuurdersstoel en stel de
parkeerrem in werking.
– Schakel de aftakas (indien aanwezig) uit en zet de
gashendel (indien aanwezig) op UIT.
Opmerking: Controleer of de hydraulische hefhendel
(uitsluitend op de modellen 07362TC en 07364TC) in de
NEUTRAALSTAND staan.
– Zet de schakelhendel in de NEUTRAALSTAND en
trap het koppelingspedaal in.
– Houd uw voet van het gaspedaal.
– Draai het contactsleuteltje op AAN, en houd de
schakelaar van de gloeibougie op AAN (maximaal
30 seconden).
– Draai het contactsleuteltje op START.
• Let goed op als u het voertuig gebruikt. Als het voertuig
niet veilig wordt gebruikt, kan dit leiden tot een
ongeluk, omkiepen van het voertuig en ernstig
lichamelijk of dodelijk letsel. Rij voorzichtig. U kunt op
de volgende manieren voorkomen dat het voertuig
omkiept of dat u de controle over het voertuig verliest:
– Ga zeer voorzichtig te werk, verminder uw snelheid
en blijf op een veilige afstand van zandkuilen,
greppels, sloten, hellingen en onbekend terrein of
terrein waarvan de bodemomstandigheden of het
reliëf abrupte veranderingen vertonen.
– Let op kuilen of andere verborgen gevaren.
– Ga zeer voorzichtig te werk als u op een steile
helling werkt. In normale omstandigheden moet u
een helling in een rechte lijn op- en afrijden.
Verminder de snelheid als u een scherpe bocht
maakt of draait op een helling. Draai indien
mogelijk nooit op een helling.
– Wees extra voorzichtig als u het voertuig gebruikt
op een nat oppervlak, bij hogere snelheden of zwaar
belast is. De stoptijd zal groter zijn als het voertuig
zwaar belast is. Schakel naar een lagere versnelling
voordat u een helling op- of afrijdt.
– Als u de bak laadt, moet u de lading gelijkmatig
verdelen. Wees extra voorzichtig als de lading
uitsteekt buiten het voertuig/de laadbak. Rij extra
voorzichtig als u een uit-middelpuntige lading
vervoert die niet kan worden gecentreerd. Zorg
ervoor dat de lading in evenwicht is en goed vastzit
om te voorkomen dat deze gaat schuiven.
– Vermijd plotseling stoppen en starten. Zet de
machine niet van de achteruit-stand in de
vooruit-stand of van de vooruit-stand in de
achteruit-stand voordat de machine volledig tot
stilstand is gekomen.
– Maak geen scherpe bochten en vermijd abrupte
manoeuvres of andere riskante handelingen tijdens
het rijden, waardoor u de controle over het voertuig
kunt verliezen.
– Passeer een voertuig dat in dezelfde richting rijdt,
nooit op een kruising, een onoverzichtelijk punt of
andere gevaarlijke plaatsen.
5