Bedieningspaneel lichten
Gebruik het bedieningspaneel voor de lichten om de
lichten van de machine te bedienen
Figuur 95
1. Schakelaar van
koplampen
2. Schakelaar van
cabinelamp
Schakelaar van koplampen
Met deze schakelaar kunt u de koplampen aan- en
uitzetten
(Figuur
95).
Schakelaar van cabinelamp
Gebruik deze schakelaar om de cabinelamp in of uit
te schakelen
(Figuur
95).
Gevarenlichtschakelaar
Gebruik deze schakelaar om de gevarenlichten in of
uit te schakelen
(Figuur
Richtingaanwijzerschakelaar
Gebruik deze schakelaar om de richtingaanwijzers in
of uit te schakelen
(Figuur
Ruitenwisserschakelaar
Gebruik deze schakelaar om de ruitenwissers in of uit
te schakelen
(Figuur
93).
Schakelaar aansluitpunt
Met deze schakelaar kunt u bepalen welk aansluitpunt
ingeschakeld wordt
(Figuur
(Figuur
95).
3. Gevarenlichtschakelaar
4. Richtingaanwijzerschakelaar
95).
95).
93).
Achterruitvergrendeling
Achterruitvergrendeling
g032786
1. Vergrendeling van venster
Til de vergrendelingen op om de ruit te openen
96). Druk op de vergrendeling om de ruit de geopende
stand te vergrendelen. Druk de vergrendeling uit en
omlaag om de achterruit te sluiten en vast te zetten.
Belangrijk:
Sluit de achterruit voordat u de
motorkap opent om schade te voorkomen.
Gebruik van het pedaal
Gebruik het pedaal om de werktuigarm te bedienen
(Figuur
97).
1. Linkerpedaal
Linkerpedaal
Het linkerpedaal dient om het werktuig omhoog en
omlaag te brengen
42
Figuur 96
Figuur 97
2. Rechterpedaal
(Figuur
97).
g032824
(Figuur
g032788