De ventilatorconvector installeren
Informatie
Het is niet nodig om een binnenunitadres toe te wijzen bij
gebruik van de groepsbediening. Het adres wordt
automatisch ingesteld wanneer de stroom wordt aangezet.
Voor geforceerde UIT en AAN/UIT-bediening, sluit inputdraden
van buitenaf aan op de EKROROA optiekit. Zie voor meer
informatie
"Optionele apparatuur installeren" op pagina
Bedradingsspecificatie
Dikte
Lengte
Externe terminal
Tabel 4.2: Bedradingsspecificaties geforceerde UIT
en AAN/UIT
De ventilatorconvector installeren
4.6.1. De voeding aansluiten
Zie figuur 9: "Hoe elektrische bedrading aansluiten".
A
Detail: afstandsbediening en
transmissiebedrading van unit aansluiten
B
Detail: sluit de kabel van de voeding aan
Sluit GEEN draden aan op de terminal met het
nummer 3!
C
Detail: sluit de kabelopeningen
Kleef de afsluitplaten met kleeflaag op de
behuizing aan de buitenkant om de
draadopeningen af te sluiten.
a
Deksel stuurkast
b
Sticker bedradingsschema
c
Kabel afstandsbediening
d
Klemmenstrook voor afstandsbediening en
transmissie van unit – X1M
e
Voedingskabel
f
Voeding klemmenstrook – X2M
g
Grote klem (niet meegeleverd)
h
Kleine klem (niet meegeleverd)
i
Klemhouder
j
Afsluitplaat (meegeleverd met de unit)
k
Aarding
l
Inlaat voedingskabel
m
Transmissiekabel unit
n
Inlaat afstandsbediening en transmissiekabels
van unit
1
Verwijder het deksel van de stuurkast (a) zoals afgebeeld in
figuur 9: "Hoe elektrische bedrading aansluiten".
2
Trek de voedingskabel (e) (of de bedrading tussen units in geval
van gedeelde voeding) naar binnen door de
voedingskabelopening (l).
3
Sluit de voedingskabels aan op de voedingsklemmenstrook (f).
Sluit L aan op aansluitklem 1 en sluit N aan op aansluitklem 2.
4
Sluit de aardingskabel (k) aan op de aardingsterminal.
5
Bevestig de bedrading met een klem (g).
6
Monteer een aardlekdetector en zekering in de voedingskabel
(niet meegeleverd). Kies een aardlekdetector die voldoet aan de
geldende wetgeving. Om de zekering te kiezen, zie
eigenschappen" op pagina
Installatiehandleiding
9
10.
Ommantelde vinyldraad of
kabel (2-draads)
0,75-1,25 mm²
≤100 m
Contact dat de minimale
toepasselijke belasting van
15 V DC, 10 mA kan
garanderen
"Elektrische
4.
4.6.2. Afstandsbediening en transmissiebedrading
De ventilatorconvector installeren
van unit aansluiten
1
Verwijder het deksel van de stuurkast (a) zoals afgebeeld in
figuur 9: "Hoe elektrische bedrading aansluiten".
2
Trek de kabels (c, m) naar binnen door de opening voor de
afstandsbedienings- en transmissiekabels van de unit (n).
3
Sluit de afstandsbedieningsdraden aan op de terminals (P1, P2)
van de klemmenstrook (d).
4
Sluit de transmissiebedrading van de unit aan op de terminals
(F1, F2).
5
Bevestig de bedrading met een klem (g).
De ventilatorconvector installeren
4.6.3. De stuurkast sluiten
1
Als alle bedrading is aangesloten, vul de gaten in de
kabelopeningen van de behuizing op met de kleine afsluitplaat
(meegeleverd met de unit) om te voorkomen dat klein ongedierte,
water of vuil in de unit terechtkomt en kortsluitingen in de
stuurkast veroorzaakt.
2
Plaats het deksel van de stuurkast (a) terug zoals afgebeeld in
figuur 9: "Hoe elektrische bedrading aansluiten". Zorg dat u geen
draden beknelt bij het bevestigen van het deksel van de stuurkast.
De ventilatorconvector installeren
4.7.
Het afvoerleidingwerk installeren
De ventilatorconvector installeren
4.7.1. De afvoerleidingen in het gebouw installeren
Zie figuur 3: "Installatie afvoerleiding".
a
Ophangstaaf
b
≥1/100 helling
Hou de leidingen zo kort mogelijk en laat ze naar beneden aflopen
met een helling van minstens 1/100 zodat er geen lucht in de
leidingen blijft vastzitten. Zie
Als de afvoerslang niet voldoende kan afhellen, bevestig dan een
verhogende afvoerleiding op de afvoerslang (niet meegeleverd)
zoals afgebeeld in figuur 7: "Hoe afvoerleidingwerk installeren".
a
Plafondtegel
b
Ophangbeugel
c
Afvoerverhogende leiding (nominale
diameter = 20 mm)
d
Afvoerslang (meegeleverd met de unit)
e
Metalen klem (meegeleverd met de unit)
Zorg dat de afmeting van de leiding even groot of groter is als/dan
de verbindingsleiding (20 mm binnendiameter).
Installeer de verhogende afvoerleidingen op een hoogte van
minder dan 545 mm.
Installeer de verhogende afvoerleidingen in de juiste hoek ten
opzichte van de unit en niet meer dan 300 mm van de unit.
Installeer de afvoerslang waterpas of licht omhoog gekanteld
(≤75 mm) om luchtbellen te voorkomen.
Isoleer het volledige afvoerleidingwerk in het gebouw.
Informatie
Bij het bundelen van meerdere afvoerleidingen, moeten de
leidingen worden geïnstalleerd zoals afgebeeld in figuur 17:
"Meerdere afvoerleidingen bundelen". Kies samenlopende
afvoerleidingen waarvan de afmetingen geschikt zijn voor
de bedrijfscapaciteit van de unit.
a
Samenlopende afvoerleidingen met T-verbinding
"Installatie afvoerleiding" op pagina
Ventilatorconvectoren
4PW64524-1B – 2014.03
9.
FWF