5.2
Elektrische aansluiting
•
De aansluiting van het apparaat op de installatie van de voeding moet worden
uitgevoerd door een gekwalificeerde elektricien in overeenstemming met de
toepasselijke internationale, nationale en lokale voorschriften.
•
Voordat u het apparaat op de voeding aansluit, moet u ervoor zorgen dat de
spannings- en frequentiewaarden op het typeplaatje voldoen aan de parameters
van de lokale elektrische installatie. Een spanningsafwijking van niet meer dan ±
10% is toegestaan.
•
Een veiligheidsschakelaar met voldoende capaciteit om alle polen los te
koppelen van de voeding moet vóór het apparaat worden geïnstalleerd, op een
gemakkelijk bereikbare plaats, met een contactopening van minstens 3 mm
breed en die voldoet aan de geldende installatievoorschriften (de aardingskabel
mag niet worden onderbroken door de schakelaar).
•
Sluit de aardleiding aan op de met het aardingssymbool gemarkeerde klem
naast de ingangsklemmenstrook.
•
Sluit de metalen structuur van het elektrische apparaat aan op het
beveiligingsapparaat voor potentiaalvereffening.
•
Sluit de kabel aan op de aansluiting die is gemarkeerd met het
potentiaalvereffeningssymbool aan de buitenkant van de buitenkant van het
NL
apparaat.
•
Dit symbool geeft aan dat het apparaat in een potentiaalvereffeningssysteem
moet worden geïntegreerd en volgens de geldende voorschriften moet worden
aangesloten.
•
Leg de verbindingskabel zo dat niemand erop kan lopen of erover kan
struikelen.
•
Leg de voedingskabel zo dat hij nergens wordt blootgesteld aan
omgevingstemperaturen van meer dan 50°C.
5.3
Gasaansluiting
•
Op het typeplaatje is aangegeven met welk soort gas het apparaat door de
fabriek is voorbereid en afgeleverd. Controleer voor de installatie of de lokale
gastoevoer (gastype en -druk) overeenkomt met de standaardinstelling van het
apparaat.
•
Op voor het publiek toegankelijke installatieplaatsen moeten de
ongevallenpreventievoorschriften en veiligheidsnormen in geval van brand en
paniek in acht worden genomen.
•
Een erkende gasafsluitklep moet op de gasaansluiting worden geïnstalleerd, op
een gemakkelijk toegankelijke plaats tussen het gastoevoernet en het apparaat,
zodat de gastoevoer op elk gewenst moment kan worden onderbroken.
•
De aansluiting bevindt zich aan de achterkant van het apparaat.
24 / 46
Installatieinstructie
1519821