Het instrument mag alleen worden gebruikt voor de toepassingen of
omstandigheden waarvoor het is bedoeld. Anders werken de
veiligheidsfuncties van het instrument niet en kan het instrument
beschadigd raken of de gebruiker kan ernstig persoonlijk letsel oplopen.
Controleer de goede werking op een bekende bron alvorens maatregelen
te nemen naar aanleiding van de aanwijzing van het instrument.
Probeer geen metingen te verrichten in de aanwezigheid van ontvlambare
gassen. Anders kan het gebruik van het instrument vonken veroorzaken,
wat tot een explosie kan leiden.
Probeer nooit de testkabels aan te sluiten als het oppervlak van het
instrument of uw hand, nat zijn.
Zorg ervoor dat u geen kortsluiting maakt met het niet-geïsoleerde metaal
van de testsondes om letsel te voorkomen.
Overschrijd nooit het maximaal toelaatbare ingangsvermogen van geen
enkel meetbereik.
Druk niet op de TEST-knop wanneer u meetsnoeren op het instrument
aansluit.
Houd het deksel van het batterijvakje vast geschroefd en gesloten tijdens
een meting.
Raak het te testen circuit niet aan tijdens het meten van de
isolatieweerstand of direct na de meting om elektrische schokken te
voorkomen.
(Spanning testsnoeren)
Gebruik altijd de meetsnoeren die bij dit instrument zijn geleverd.
Sluit de meetsnoeren aan die nodig zijn voor de meting.
Sluit de meetsnoeren eerst aan op het instrument, en dan op de meetlijn.
Houd uw vingers achter de afscherming tijdens een meting. De
afscherming biedt bescherming tegen elektrische schokken en waarborgt
de minimaal vereiste afstand tussen lucht en krimpruimte.
Probeer nooit de meetsnoeren los te koppelen van de connectoren van het
instrument tijdens een meting - terwijl het instrument onder spanning
staat.
Raak nooit tegelijk twee te testen lijnen aan met de metalen punten.
Raak nooit de metalen punten aan.
GEVAAR
3