4
AFSTELLINGEN
4.14 WIELSPORING____________________________________________________________
1.
Draai de wielen in de rechtuit-stand.
2.
Los de contramoeren (J) aan weerszijden van de
spoorstang (M).
3.
Draai aan de spoorstang (M) om de juiste sporing te
bereiken die niet meer dan + 1,5 mm mag zijn (K).
Draai de contramoeren weer vast.
4.
Na regeling van de spoorstang dient de stuurcilinder te
worden afgesteld door stang (N) zover in of uit het
kogelscharnier te draaien dat de spilarm (L) 0,8-2 mm
van de begrenzer op de as blijft (O)
cilinder geheel is uitgeschoven.
20
wanneer de
K
M
J
N
K
+0 - 1,5 mm
L
O
0,8 - 2 mm
LF016
Afb. 4N