Overzicht parameterfuncties
Beschrijving
Keuze van het te gebruiken systeemtype:
Tweedraads-systeem (P01=0): Aansturing van slechts een klep via klem 9 (een
verwarmings-/koelklep: klepaansluitvariant a of b). Bij installaties zonder ventiel, moet
de ventilatoraansturing worden ingesteld via de parameters P03 en P04.
Vierdraads-systeem (P01=1): Aansturing van twee kleppen voor verwarmings- en
koelbedrijf via klem 9 (verwarmen) en klem 11 (koelen) (klepaansluitvariant c en d):
P01
Elektr. verwarmingselement (P01=2): Aansturing van installaties met een koelklep via
klem 11/12 en een elektrisch verwarmingselement via klem 9 (klepaansluitvariant e
of f).
2. Warmtegenerator (P01=3): Aansturing van installaties met een verwarmingsklep
via klem 11/12 en een elektrisch verwarmingselement via klem 2. Warmtegenerator
via klem 9 (klepaansluitvariant e of f).
Omschakelmodus van de regelaar van de koelmodus (zomer) naar de verwarmingsmodus
(winter):
Handmatige omschakeling (P02=0): De gebruiker stelt handmatig de koel- resp.
verwarmingsmodus in. Automatische omschakeling (P02=1): De regelaar schakelt automatisch
om naar koel- of verwarmingsmodus. Bij een vierdraads-systeem of een warmtepompinstallatie,
werkt de regelaar met een neutrale zone en schakelt op basis van de ingestelde instelwaarde
naar de verwarmings- of koelmodus. Bij een tweedraads-systeem of een elektrisch
verwarmingselement schakelt de regelaar om op basis van de aanvoertemperatuurvoeler SM.
Ligt de aanvoertemperatuur onder de in parameter C01 ingestelde grenswaarde, schakelt de
P02
regelaar naar de koelmodus. Ligt de aanvoertemperatuur boven de in parameter C02 ingestelde
grenswaarde, schakelt de regelaar naar de verwarmingsmodus. Ligt de temperatuur tussen
C1 en C2, wordt de bedrijfsmodus niet omgeschakeld en kan dit alleen handmatig worden
gewijzigd. Werkt de aanvoertemperatuurvoeler SM niet, resp. is deze niet aangesloten, vervalt
een automatische regeling en kan de bedrijfsmodus alleen handmatig worden gekozen.
Centrale omschakeling (P02=2): Worden meerdere regelaars in één installatie toegepast, kan
via klem 4 een centrale omschakeling plaatvinden. De functielogica kan via de parameters
C17, C18 en C19 worden gekozen. Bij de instelling C17=1 en niet geschakeld contact I/O,
wordt de verwarmingsmodus geactiveerd, bij geschakeld contact I/O wordt de koelmodus
geactiveerd. Inverteren van de ingang door C17=2 mogelijk.
Functielogica van de klep en ventilator in de modus verwarmen:
Moet de temperatuurregeling alleen via de kleppen gebeuren, zal de ventilator
ook na het bereiken van de instelwaarde ingeschakeld blijven (P03=1). Moet
de temperatuur door de werking van de ventilator worden geregeld, is de klep ok
P03
na het bereiken van de instelwaarde altijd open (P03=2). De klep en de ventilator
kunnen bij het bereiken van de temperatuur eveneens worden uitgeschakeld (P03=3).
Bij systemen met verwarmingselement of warmtepomp, kunnen deze parameters
de regeling van de klepuitgangen niet blokkeren, omdat deze uitgangen specifiek
voor elk installatiesysteem worden aangestuurd.
Functielogica van de klep en ventilator in de modus koelen:
Moet de temperatuurregeling alleen via de kleppen gebeuren, zal de ventilator
ook na het bereiken van de instelwaarde ingeschakeld blijven (P04=1). Moet
de temperatuur door de werking van de ventilator worden geregeld, is de klep ok
P04
na het bereiken van de instelwaarde altijd open (P04=2). De klep en de ventilator
kunnen bij het bereiken van de temperatuur eveneens worden uitgeschakeld (P04=3).
Bij systemen met verwarmingselement of warmtepomp, kunnen deze parameters
de regeling van de klepuitgangen niet blokkeren, omdat deze uitgangen specifiek
voor elk installatiesysteem worden aangestuurd.
P05
P05=0: 0...10V, direct P05=1: 0...10V, indirect P05=3: driefasen
Klepaansturing in de modus verwarmen (klem 6 of 9):
Servomotoren (P06=1), NC-kleppen (P06=2), NO-kleppen (P06=3),
P06
mediumdebietgeregelde NC- (P06 =4 ) of NO-kleppen (P06=5) kunnen worden
gebruikt (zie hoofdstuk "Mogelijke klepaansluitvarianten").
23