Download Inhoudsopgave Inhoud Print deze pagina

REMKO RR Series Bedienings- En Installatiehandleiding pagina 15

Verberg thumbnails Zie ook voor RR Series:
Inhoudsopgave

Advertenties

Temperatuurmeting
De regelaar meet de temperatuur via de
interne NTC-sensor in de regelaar of via
een als accessoire verkrijgbare externe
kamervoeler SA en toont deze binnen
temperatuurbereik -10,0°C bis 50°C op
het display.
Externe kamertemperatuurvoeler SA
(klem 14-15)
De regelaar heeft een interne (P11=0)
temperatuursensor. Wordt de regelaar niet in
de ruimte geplaatst waarbinnen de temperatuur
moet worden geregeld, kan een als accessoire
verkrijgbare kamertemperatuurvoeler (P11=1)
de temperatuur bepalen.
leidinglengte van 25m mag niet worden
overschreden.
Aanvoertemperatuursensor SM, alternatief
bimetaalthermostaat BC (klem 13-14)
De regelaar is uitgerust voor het gebruik
van een als accessoire verkrijgbare
aanvoertemperatuursensor SM (P08=1)
of een bimetaalthermostaat BC (P08=2).
Bij positionering van de voeler SM bij
de warmtewisselaar van de binnenunit.
kan de temperatuur worden gemeten
binnen een bereik van 0 °C tot 99 °C.
Door de parameter P23 (minimale
temperatuur) en P24 (maximale
temperatuur) kan de ventilator pas bij
het bereiken van de ingestelde waarde
worden vrijgegeven of kan de temperatuur
bij het systeemtype "Warmtepomp"
worden begrensd. Bij de positionering
bij de aanvoerleiding naar de binnenunit
kan de regelaar zelfstandig op basis
van de gemeten mediumtemperatuur
omschakelen naar de betreffende
bedrijfsmodus (automatische omschakeling
P02=1). De aanvoertemperatuurvoeler mag
niet worden aangesloten op de regelaar, als
niet eerst de betreffende parametrering is
uitgevoerd (zie hoofdstuk
De maximale
"Minimale/maximale temperatuur
medium"). Alternatief kan op dezelfde
ingang een bimetaalthermostaat BC
van de klant
(P08=2)
(zie hoofdstuk "Minimale / maximale
temperatuur medium P23/P24").
De maximale leidinglengte van 25m mag
niet worden overschreden.
AANWIJZING
Verschijnt op het display de indicatie "Or"
, ligt de gemeten temperatuurwaarde
buiten het meetbereik.
Minimale temperatuur medium verwarmen P23
Deze functie maakt het mogelijk in de
verwarmingsmodus het ventilatorbedrijf
pas na een bepaalde tijd te activeren, om
weglekkende koude lucht te voorkomen.
Om deze functie te activeren,
moet op de klemmen 13-14 een
aanvoertemperatuursensor (P08=1)
of een bimetaalthermostaat (P08=2)
zijn aangesloten. Wordt een sensor
gebruikt, bepaalt de parameter P23
de inschakeltemperatuur. Kan deze
functie niet worden gebruikt, kan
de parameter P23=0 worden ingesteld.
Ligt de temperatuur onder de in
parameter P23 ingestelde waarde, wordt
het symbool
weergegeven.
Bij het gebruik van een bimetaalthermostaat
wordt de ventilator alleen vrijgegeven bij
gesloten bimetaalcontact, weergave van
de aanvoertemperatuur en de automatische
omschakelfunctie zijn niet mogelijk
(zie paragraaf "Configureren door de
installateur"). Bij geblokkeerde ventilator
knipperen de symbolen op het display.
In de warmtepompmodus kan hiermee
een oververhittingsbeveiliging worden
gewaarborgd.
worden gebruikt
15

Advertenties

Inhoudsopgave
loading

Deze handleiding is ook geschikt voor:

Rr 21.2 ip 30Rr 21.2 ip 54

Inhoudsopgave