Gebruik van de monitor
1. Plaatsing/vervanging van de batterijen
Verwijder het batterijkapje en plaats nieuwe batterijen
in het batterijvak zoals aangegeven, waarbij u let op
de juiste richting van elke batterij. Gebruik batterijen
van het type R6P, LR6, AA of gelijkwaardig.
LET OP
Plaats de batterijen in het batterijcompartiment zoals afgebeeld. Anders functioneert het
apparaat niet.
Vervang wanneer het symbool
door nieuwe. Gebruik geen oude en nieuwe batterijen tegelijk. De batterijen gaan dan
minder lang mee of het apparaat kan storingen vertonen.
(LOW BATTERY) verschijnt niet als de batterijen helemaal leeg zijn.
De levensduur van de batterijen is afhankelijk van de omgevingstemperatuur, en kan bij
lage temperaturen korter zijn.
Verwijder de batterijen als het apparaat lange tijd niet wordt gebruikt.
De batterijen kunnen dan gaan lekken en storingen veroorzaken.
Gebruik alleen de vermelde batterijen. De batterijen die bij het apparaat zijn geleverd, zijn
bedoeld voor het testen van de meetprestaties en kunnen een beperkte levensduur
hebben.
2. Aansluiting van de luchtslang
Sluit het koppelstuk van de luchtslang
stevig op de aansluiting van het apparaat
aan.
3. De wisselstroomadapter aansluiten
Stop de stekker van de
wisselstroomadapter in de DC-aansluiting.
Sluit de wisselstroomadapter vervolgens
aan op het stopcontact.
Gebruik de aanbevolen wisselstroomadapter.
(Zie pagina 18.)
(LOW BATTERY) op de display knippert alle batterijen
wisselstroomadapter
Gelijkstroomaansluiting
Nederlands 7
Luchtaansluiting
Luchtkoppelstuk
Stekker