2. INSTELLING VAN DE PRINTER
2.6 Aansluiting van de
kabels met de printer
OPMERKING:
1. Rechtse figuur toont alle
interface aansluitingen die
mogelijk zijn indien alle opties
voorzien werden. Dit kan
verschillen naargelang de
configuratie van uw systeem.
2. De USB en LAN interfaces
kunnen niet op hetzelfde
ogenblik gebruikt worden.
In volgende paragrafen leest u hoe de kabels van de printer aan de host
computer aangesloten worden en hoe u kabelaansluitingen met een
andere periferie kunt verwezenlijken. Afhankelijk van de specifieke
software die u gebruikt voor het printen van etiketten zijn er vier
mogelijkheden om de printer op de host computer aan te sluiten. Deze
zijn:
• Een seriële kabelverbinding tussen de seriële RS-232 aansluiting
van de printer en een van de COM poort aansluitingen van de host
computer (Zie BIJLAGE 2.)
• Een parallelle kabelverbinding tussen de standaard parallel
aansluiting van de printer en de parallelle poort aansluiting van de
host uw computer (LPT).
• Een Ethernet aansluiting met een LAN kaart in optie.
• Een USB kabelaansluiting tussen de optionele USB
printeraansluiting en de USB poort van de host computer
(overeenkomstig USB 1.1)
In onderstaande figuur ziet u alle kabelaansluitingen die op het huidig
printermodel beschikbaar zijn.
Parallelle interface aansluiting (Centronics)
Seriële interface aansluiting (RS-232C)
Expansion I/O interface aansluiting
Stroomtoevoer
USB interface aansluiting (optie)
PCMCIA kaart slot (optie)
LAN interface aansluiting (optie)
8 Draadloze LAN kaart (optie)
N2-12
DUTCH VERSION NO1-33059
2.6 Aansluiting van de kabels met de printer
,
,
of
8
,
,
of