sensoren met andere eigenschappen veroorzaakt problemen, omdat de
verkeerde temperatuur wordt aangestuurd. Personen kunnen lichame-
lijk letsel of verbrandingen oplopen, of er kan materiële schade ontstaan
door te hoge of te lage temperatuur. Minder comfort kan ook het gevolg
van gebruik van een verkeerde sensor zijn.
5.1
Isolatie
Alle warmtetransporterende leidingen moeten van een geschikte warm-
te-isolatie conform de geldende voorschriften worden voorzien.
OPMERKING
Materiële schade door vorst!
Bij stroomuitval kan het water in de leidingen bevriezen.
▶ Alle warmtetransporterende leidingen moeten van een geschikte
warmte-isolatie conform de geldende voorschriften worden voor-
zien.
5.2
Transport en opslag
De binneneenheid moet altijd rechtop worden getransporteerd en opge-
slagen. Deze kan indien nodig tijdelijk worden gekanteld.
De binneneenheid niet bij temperaturen onder
– 10 °C transporteren of opslaan.
5.3
Uitpakken
▶ Verwijder de verpakking overeenkomstig de handleiding op de ver-
pakking.
▶ Pak de meegeleverde toebehoren uit.
▶ Controleer de leveringsomvang op volledigheid.
5.4
Binneneenheid aansluiten
Afb. 6
Frontplaat afnemen
▶ Frontplaat afnemen (onderaan beginnen)
▶ Sluiting van de besturing afnemen.
▶ Aansluitkabel door de kabeldoorvoeren in de schakelkast leiden.
▶ Sluit de kabel aan conform het aansluitschema.
▶ Slot van de schakelkast en de frontbekleding van de binneneenheid
weer monteren.
Logatherm WPLS4...15.2 RB – 6720892240 (2021/05)
Afb. 7
Kabeldoorvoeren (onderaanzicht)
[1]
Kabeldoorvoeren voor sensoren, CAN-BUS en EMS BUS
[2]
Kabeldoorvoer voor stroomingang
5.5
Checklist
Elke installatie is individueel verschillend. De volgende checklist bevat
een algemene beschrijving van de aanbevolen installatiestappen.
Geadviseerd wordt de koudemiddelleiding aan te sluiten voor de hydrau-
lische aansluitingen.
1. Inkomende en uitgaande leidingen van de buiteneenheid monteren.
2. Lekwaterslang resp. leidingen van de binneneenheid monteren.
3. Aansluiting tussen buiteneenheid ODU Split en binneneenheid tot
stand brengen (handleidingen van de buiteneenheid).
4. Binneneenheid op de cv-installatie aansluiten ( hoofdstuk 5.6.1).
5. Boiler vullen en ontluchten.
6. Voor de bedrijfsstart de cv-installatie vullen en ontluchten ( hoofd-
stuk 5.6.2 en 6.1).
7. CV-installatie ontluchten ( hoofdstuk 6.1).
8. Buitentemperatuursensor ( hoofdstuk 5.7.6) en eventueel kamer-
temperatuurgestuurde regelaar monteren.
9. CAN-BUS-kabel tussen buiteneenheid ODU Split en binneneenheid
aansluiten (hoofdstuk 5.7.2).
10.Eventuele toebehoren monteren (mengermodule, solarmodule, en-
zovoort).
11.Indien nodig EMS BUS-kabel op toebehoren aansluiten (hoofdstuk
5.7.1).
12. Cv-installatie op het stroomnet aansluiten ( hoofdstuk 5.7).
13.Cv-installatie in bedrijf stellen. Daarvoor de benodigde instellingen
via de bedieningseenheid uitvoeren (handleiding bedieningseen-
heid).
14.Controleren of alle sensoren correcte waarden weergeven (hoofd-
stuk 7).
15.Deeltjesfilter controleren en reinigen (hoofdstuk 7).
16.Werking van de cv-installatie na de bedrijfsstart controleren
(hoofdstuk 6.3).
5
Installatie
9