Als communicatiekabel tussen de binnen-en buiteneenheid is een
LIYCY-kabel (TP) 2 x 2 x 0,75 (of gelijkwaardig) geschikt. Als alternatief
kunnen voor het buitengebruik toegelaten Twisted-Pair-kabels met een
minimale doorsnede van 0,75 mm
moet aan beide uiteinden geaard worden:
▶ Op de behuizing van de binneneenheid
▶ Op de aardklem van de buiteneenheid.
De aansluiting tussen de printplaten verloopt via twee aders, omdat de
12 V-spanning van de installatiemodule niet mag worden aangesloten.
De schakelaar Term markeert het begin en einde van de CAN-BUS-ver-
binding. Let erop dat de juiste kaarten zijn afgesloten en dat alle overige
in de CAN-BUS-verbinding niet zijn afgesloten.
Afb. 10 CAN-BUS-verbinding
[1]
Binneneenheid
[2]
Buiteneenheid
5.7.3
Omgang met printplaten
Printplaten met besturingselektronica zijn zeer gevoelig voor elektrosta-
tische ontlading (ESD – ElectroStatic Discharge). Om schade aan de be-
standdelen te voorkomen, is daarom bijzondere voorzichtigheid
geboden.
VOORZICHTIG
Schade door elektrostatische oplading!
▶ Draag bij de omgang met niet-ingekapselde printplaten een geaarde
armband.
Logatherm WPLS4...15.2 RB – 6720892240 (2021/05)
2
gebruikt worden. De afscherming
Afb. 11 Armband
De schade is meestal niet direct herkenbaar. Een printplaat kan bij de in-
bedrijfstelling optimaal functioneren en problemen treden vaak pas later
op. Opgeladen objecten zijn alleen in de nabijheid van de elektronica een
probleem. Houd een veiligheidsafstand aan van minimaal een meter tot
schuimrubber, beschermfolie en ander verpakkingsmateriaal, draag
geen kledingsstukken van kunstvezel (bijv. fleece truien) en dergelijke,
als u met de werkzaamheden begint.
Een goede ESD-beveiliging bij het werken met elektronica biedt een op
de aarding aangesloten armband. Deze armband moet gedragen wor-
den, voordat de afgeschermde metaalzak/verpakking wordt geopend, of
voordat een gemonteerde printplaat wordt blootgelegd. De armband
moet gedragen worden, tot de printplaat weer in de afgeschermde ver-
pakking wordt gedaan of in een gesloten schakelkast is aangesloten. Ook
vervangen printplaten, die moeten worden teruggegeven, moeten op
deze wijze worden behandeld.
5.7.4
Temperatuursensor monteren
In de fabrieksinstelling regelt de regelaar de aanvoertemperatuur auto-
matisch afhankelijk van de buitentemperatuur. Voor nog meer comfort
kan een temperatuurregelaar geïnstalleerd worden.
5.7.5
Aanvoertemperatuursensor T0
De temperatuursensor behoort tot de leveringsomvang van de binnen-
eenheid.
▶ Temperatuursensor 1–2 meter achter de 3-wegklep of op de buffer-
boiler, indien aanwezig, monteren.
▶ Aanvoertemperatuursensor in de schakelkast van de binneneenheid
op klem T0 aansluiten.
5.7.6
Buitentemperatuursensor T1
Gebruik een afgeschermde kabel, wanneer de lengte van de kabel van de
temperatuursensor buiten meer dan 15 m is. De afgeschermde kabel
moet in de binneneenheid worden geaard. De maximale lengte van afge-
schermde kabels bedraagt 50 m.
Een buiten geïnstalleerde temperatuursensorkabel moet minimaal aan
de volgende eisen voldoen:
2
• Kabeldiameter: 0,5 mm
• Weerstand: max.50 /km
• Aantal aders: 2
▶ Sensor aan de koudste zijde van het huis monteren (normaal gespro-
ken de noordzijde). Bescherm de sensor tegen direct zonlicht, trek
enz. Monteer de sensor niet direct onder het dak.
▶ Sluit de buitentemperatuursensor T1 op de installatiemodule op
klem T1 aan.
5
Installatie
13