Afb. 5
Afmetingen en aansluitingen
3.7
Buisafmetingen
Buisafmetingen (mm)
Aanvoer cv-installatie
CV-retour
Aanvoer/retour van de externe
bijverwarming
Koudemiddelleiding naar/van
de buiteneenheid
Afvoer/afleiding
Tabel 5 Buisafmetingen
4
Installatievoorbereiding
De deeltjesfilter wordt in de retour van de cv-installatie horizontaal voor
de inlaat in de binneneenheid gemonteerd. Let op de doorstroomrich-
ting van de filter.
De afvoerbuis van het veiligheidsventiel in de binneneenheid moet vorst-
veilig worden gemonteerd, de afvoerbuis moet naar een afvoer worden
geleid.
▶ Aansluitleidingen voor cv-installatie en koud/warm water in het ge-
bouw moeten tot aan de installatieplaats van de binneneenheid wor-
den geïnstalleerd.
4.1
Montage van de binneneenheid
• Binneneenheid in huis op een geschikte wand monteren. De leiding-
installatie tussen buiteneenheid en binneneenheid moet zo kort mo-
gelijk zijn. Gebruik geïsoleerde leidingen.
• Uit het overstortventiel ontsnappend water weg van de binneneen-
heid leiden naar een vorstvrije, zichtbare afvoer.
• De opstellingsruimte van de binneneenheid moet een afvoer hebben.
4.2
Voor de installatie te controleren
• Controleer of alle leidingaansluitingen intact zijn en tijdens het trans-
port niet zijn losgeraakt.
• Voor de inbedrijfname van de binneneenheid de cv-installatie en
eventueel aanwezige boiler vullen en ontluchten.
• Voer alle leidingen zo kort mogelijk uit.
Logatherm WPLS4...15.2 RB – 6720892240 (2021/05)
IDUS B
1"-buitendraad
1"-binnendraad
1"-buitendraad
5/8" en 3/8"
ø 32
Installatievoorbereiding
• Laagspanningskabels moeten met een minimale afstand van 100 mm
tot 230/400 V-kabels worden geïnstalleerd.
4.3
Werkingsprincipe
De functie is gebaseerd op een vraaggestuurde regeling van het com-
pressorvermogen met bijschakelen van de externe bijverwarming via de
binneneenheid. De bedieningseenheid stuurt de buiteneenheid aan con-
form de ingestelde stooklijn.
Wanneer de buiteneenheid de warmtevraag van het huis niet alleen kan
afdekken, start de binneneenheid automatisch de bijverwarming, die sa-
men met de buiteneenheid de gewenste temperatuur in het huis gene-
reert.
De warmwaterbereiding heeft voorrang en wordt via de sensor TW1 in
de boiler aangestuurd. Tijdens de opwarmfase van de boiler wordt het
cv-bedrijf van de cv-installatie tijdelijk via een 3-wegklep (toebehoren)
uitgeschakeld. Na het opwarmen van de boiler wordt het cv-bedrijf via de
buiteneenheid voortgezet.
CV- en warmwaterbedrijf bij uitgeschakelde buiteneenheid
Bij buitentemperaturen onder –20 °C (instelbaar) wordt de buiteneen-
heid automatisch uitgeschakeld en kan deze geen warmte produceren.
In dit geval neemt de externe bijverwarming het cv- en warmwaterbedrijf
over.
4.4
Voorgeschreven gebruik
De wandhangende binneneenheid mag alleen in gesloten cv-installaties
conform EN 12828 worden ingebouwd.
Andere toepassingen zijn niet conform de bedoeling. Daaruit resulteren-
de schade valt niet onder de aansprakelijkheid.
4.5
Minimaal volume en uitvoering van de cv-installatie
Het minimumdebiet overeenkomstig de technische gegevens in het
hoofdstuk 11 moet gewaarborgd worden.
Om de werking van de warmtepomp te garanderen en overmatig veel
start-stopcycli, een onvolledige ontdooiing en onnodige alarmen te voor-
komen, moet in de installatie voldoende energie kunnen worden opge-
slagen. De energie wordt enerzijds in de waterhoeveelheid van de cv-
installatie en anderzijds in de installatiecomponenten (radiatoren) en in
de betonnen vloer (vloerverwarming) opgeslagen.
Omdat de eisen voor verschillende warmtepompinstallaties en cv-instal-
laties sterk variëren, wordt over het algemeen geen minimaal watervolu-
me in liters opgegeven. In plaats daarvan wordt het installatievolume als
voldoende beschouwd wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt vol-
daan.
Alleen vloerverwarmingscircuit zonder buffervat, zonder meng-
kraan:
Om de warmtepompen- en ontdooifunctie te waarborgen, moet mini-
2
maal 22 m
verwarmbaar vloeroppervlak ter beschikking staan. Verder
moet in de grootste ruimte (referentieruimte) een temperatuurregelaar
zijn geïnstalleerd. De door de temperatuurregelaar gemeten kamertem-
peratuur wordt meegenomen bij de berekening van de aanvoertempera-
tuur (principe: weersafhankelijk geregelde regeling met kamerinvloed).
Alle zone-kranen van de referentieruimte moeten volledig zijn geopend.
Onder bepaalde omstandigheden kan de elektrische bijverwarming wor-
den geactiveerd, om een volledige ontdooifunctie te waarborgen. Dit is
afhankelijk van het beschikbare vloeroppervlak.
Alleen radiatorcircuit zonder buffervat, zonder mengkraan
Om de warmtepomp- en ontdooifunctie te waarborgen, moeten mini-
maal 4 radiatoren met elk minimaal 500 W vermogen aanwezig zijn.
4
7