De aanvoertemperatuur van de verwarming wordt bepaald door
een variabel setpoint afhankelijk van de buitentemperatuur en
de omgevingstemperatuur op basis van een klimaatcurve gede-
finieerd door de volgende parameters:
Par.
Beschrijving
Nr.
2023
Min. setpoint verwarming
2024
Max. setpoint verwarming
Setpoint verwarming Directe zone/Zone 1 bij minimale
buitentemperatuur
2119
Het bereik van deze parameter wordt beperkt door de
minimale setpointwaarden (Par. 2023) en maximale
(Par. 2024).
Minimale buitentemperatuur Directe zone/Zone 1
Bepaalt de minimale buitentemperatuur waarbij het
2120
setpoint maximale verwarming wordt geassocieerd
van Par. 2119
Setpoint verwarming Directe zone/Zone 1 bij maxima-
le buitentemperatuur (Par. 2122)
2121
Stel het setpoint minimale verwarming in wanneer
de buitentemperatuur gelijk is aan de waarde inge-
steld in parameter 2122 (basis buitentemperatuur)
Maximale buitentemperatuur Directe zone/Zone 1
Stelt de buitentemperatuur in waarop het setpoint
2122
van de ketel moet worden verlaagd op basis van de
waarde die is gedefinieerd in de parameter 2121
Omschakeling zomer/winter Directe zone/Zone 1
2125
Blokkeert het verwarmingsverzoek wanneer de bui-
tentemperatuur hoger is dan dit setpoint
Parallelle verplaatsing van de klimaatcurve Directe
2130
zone/Zone 1
Compensatie van buitentemperatuur mild klimaat
2131
Directe zone/Zone 1
Nominale waarde omgevingstemperatuur Directe
zone/Zone 1
Door een OpenTherm (OT) ruimtethermostaat aan te
2132
sluiten op de thermische eenheid of op het accessoi-
re voor de regeling van de zone, wordt deze parame-
ter niet gebruikt
Compensatiefactor buitentemperatuur Directe zone/
2134
Zone 1
Parameter 2125 (niveau installateur)
Tijdens het middenseizoen kan het gebeuren dat de externe
dagtemperatuur in bepaalde dagen de limiet overschrijdt die is
geconfigureerd in parameter 2125 (omschakeling zomer/winter),
in dit geval wordt het warmteverzoek bij verwarming onder-
broken, zelfs als de omgevingstemperatuur het ingestelde set-
point nog niet heeft bereikt. Het is mogelijk om de waarde te
verhogen in Par. 2125 om te vermijden dat het verzoek wordt
geblokkeerd.
Toevoertemp.
(°C)
Par. 2024
Par. 2119
Par. 2121
Par. 2023
Par. 2120
Tset max (°C)
Tset min (°C)
Par. 2122
Par. 2125
Buitentemp. (°C)
Parameter 2131 (niveau installateur)
Tijdens het middenseizoen wanneer de buitentemperatuur de
maximale limiet bereikt die is ingesteld in Par. 2122, kan de aan-
voertemperatuur die is berekend in de klimaatcurve verschillen
van de temperatuur die geschikt is om aan het verzoek te vol-
doen. Deze parameter voert een niet-lineaire correctie van de
klimaatcurve uit om dit verschil te compenseren.
Toevoertemp.
(°C)
Par. 2024
Par. 2119
Par. 2121
Par. 2023
Par. 2120
Parameter 2132 (niveau installateur)
Nominale waarde omgevingstemperatuur Hoofdzone/Zone 1.
Deze parameter bepaalt de gewenste omgevingstemperatuur
waarmee de regelaar het setpoint van de aanvoer van de ver-
warming berekent. Een hogere of lagere gewenste omgevings-
temperatuur verplaatst de karakteristieke verwarmingscurve
omhoog of omlaag op een as van 45 °.
Als in verwarmingsmodus 1 (Par. 2001 = 1) een OpenTherm-ruim-
tethermostaat (OT) is aangesloten op de thermische eenheid
of op het accessoire voor de regeling van de zone, wordt deze
parameter niet gebruikt omdat de OT-ruimtethermostaat het
setpoint rechtstreeks aan de regelaar van de omgevingstempe-
ratuur levert.
Toevoertemp.
(°C)
92°C
82°C
72°C
-20°C (*)
Par. 2120
(*)
Fabrieksinstelling
43
INBEDRIJFSTELLING EN ONDERHOUD
Tset max (°C)
Par. 2131
Tset min (°C)
Par. 2122
Par. 2125
Buitentemp. (°C)
Par. 2132 = 25°C
Par. 2132 = 20°C (*)
Par. 2132 = 15°C
0°C
20°C (*)
Buitentemp. (°C)
Par. 2122
Par. 2125