4.3
Werkingsprincipe
De werking is gebaseerd op een vraaggestuurde regeling van het com-
pressorvermogen met bijschakelen van de geïntegreerde bijverwarming
via de binneneenheid. De bedieningseenheid stuurt de buiteneenheid
aan conform de ingestelde stooklijn.
Wanneer de buiteneenheid de warmtevraag van het huis niet alleen kan
afdekken, start de binneneenheid automatisch de bijverwarming, die sa-
men met de buiteneenheid de gewenste temperatuur in het huis gene-
reert.
De warmwaterbereiding heeft voorrang en wordt via de sensor TW1 in
de boiler aangestuurd. Tijdens de opwarmfase van de boiler wordt het
cv-bedrijf van de cv-installatie tijdelijk via een 3-wegklep (toebehoren)
uitgeschakeld. Na het opwarmen van de boiler wordt het cv-bedrijf via de
buiteneenheid voortgezet.
CV- en warmwaterbedrijf bij uitgeschakelde buiteneenheid
Bij buitentemperaturen onder –20 °C (instelbaar) wordt de buiteneen-
heid automatisch uitgeschakeld en kan deze geen warmte produceren.
In dit geval neemt de bijverwarming van de binneneenheid het cv- en
warmwaterbedrijf over.
4.4
Voorgeschreven gebruik
De wandhangende binneneenheid mag alleen in gesloten cv-installaties
conform EN 12828 worden ingebouwd.
Andere toepassingen zijn niet conform de bedoeling. Daaruit resulteren-
de schade valt niet onder de aansprakelijkheid.
4.5
Minimaal volume en uitvoering van de cv-installatie
Het minimumdebiet overeenkomstig de technische gegevens in het
hoofdstuk 11.1 moet gewaarborgd worden.
Om de werking van de warmtepomp te garanderen en overmatig veel
start-stopcycli, een onvolledige ontdooiing en onnodige alarmen te voor-
komen, moet in de installatie voldoende energie kunnen worden opge-
slagen. De energie wordt enerzijds in de waterhoeveelheid van de cv-
installatie en anderzijds in de installatiecomponenten (radiatoren) en in
de betonnen vloer (vloerverwarming) opgeslagen.
Omdat de eisen voor verschillende warmtepompinstallaties en cv-instal-
laties sterk variëren, wordt over het algemeen geen minimaal watervolu-
me in liters opgegeven. In plaats daarvan wordt het installatievolume als
voldoende beschouwd wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt vol-
daan.
Alleen vloerverwarmingscircuit zonder buffervat, zonder meng-
kraan:
Om de warmtepompen- en ontdooifunctie te waarborgen, moet mini-
2
maal 22 m
verwarmbaar vloeroppervlak ter beschikking staan. Verder
moet in de grootste ruimte (referentieruimte) een temperatuurregelaar
zijn geïnstalleerd. De door de temperatuurregelaar gemeten kamertem-
peratuur wordt meegenomen bij de berekening van de aanvoertempera-
tuur (principe: weersafhankelijk geregelde regeling met kamerinvloed).
Alle zone-kranen van de referentieruimte moeten volledig zijn geopend.
Onder bepaalde omstandigheden kan de elektrische bijverwarming wor-
den geactiveerd, om een volledige ontdooifunctie te waarborgen. Dit is
afhankelijk van het beschikbare vloeroppervlak.
Alleen radiatorcircuit zonder buffervat, zonder mengkraan
Om de warmtepomp- en ontdooifunctie te waarborgen, moeten mini-
maal 4 radiatoren met elk minimaal 500 W vermogen aanwezig zijn.
Waarborg dat de thermostaatkranen van de radiatoren volledig zijn ge-
opend. Wanneer aan deze voorwaarden binnen een woongedeelte kan
worden voldaan, wordt een temperatuurregelaar voor deze referentie-
Logatherm WPLS6...13.2 RE – 6720892195 (2020/06)
Installatievoorbereiding
ruimte geadviseerd, zodat de gemeten kamertemperatuur in de bereke-
ning van de aanvoertemperatuur kan worden meegenomen. Onder
bepaalde omstandigheden kan de elektrische bijverwarming worden ge-
activeerd, om een volledige ontdooifunctie te waarborgen. Dit is afhan-
kelijk van het beschikbare radiatoroppervlak.
CV-installatie met 1 ongemengd cv-circuit en 1 gemengd cv-circuit
zonder buffervat
Om de warmtepomp- en ontdooifunctie te waarborgen, moet het onge-
mengde cv-circuit minimaal 4 radiatoren met elk minimaal 500 W ver-
mogen bevatten. Waarborg dat de thermostaatkranen van de radiatoren
volledig zijn geopend. Onder bepaalde omstandigheden kan de elektri-
sche bijverwarming worden geactiveerd, om een volledige ontdooifunc-
tie te waarborgen. Dit is afhankelijk van het beschikbare
radiatoroppervlak.
Bijzonderheid
Wanneer beide cv-circuits verschillende bedrijfstijden hebben, moet elk
cv-circuit afzonderlijk de warmtepompfunctie kunnen waarborgen.
Waarborg, dat minimaal 4 radiatorkranen van het ongemengde cv-circuit
volledig zijn geopend en voor het gemengde cv-circuit (vloer) minimaal
²
22 m
vloeroppervlak ter beschikking staat. In dit geval worden in de re-
ferentieruimten van beide cv-circuits temperatuurregelaars geadvi-
seerd, zodat met de gemeten kamertemperatuur bij de berekening van
de aanvoertemperatuur rekening kan worden gehouden. Onder bepaal-
de omstandigheden kan de elektrische bijverwarming worden geacti-
veerd, om een volledige ontdooifunctie te waarborgen. Wanneer beide
cv-circuits identieke bedrijfstijden hebben, heeft het gemengde cv-cir-
cuit geen minimaal oppervlak nodig, omdat met de 4 constant door-
stroomde radiatoren de warmtepompfunctie wordt gewaarborgd. Een
temperatuurregelaar wordt in het bereik van de geopende radiatorkra-
nen geadviseerd, zodat de buiteneenheid de aanvoertemperatuur auto-
matisch aanpast.
Alleen gemengde cv-circuits (geldt ook voor cv-circuit met ventila-
torconvectoren)
Om te waarborgen, dat voldoende energie voor de ontdooiing beschik-
baar is, is een buffervat met minimaal 50L voor de groottes 6.2 en 100L
voor de groottes 13.2 nodig.
Daarvoor is dan een extra cv-pomp nodig.
4.6
Voorbereidende buisaansluitingen
De kogelkraan met de deeltjesfilter wordt in de retour van de cv-installa-
tie horizontaal gemonteerd. Let op de doorstroomrichting van de filter.
De afvoerbuis van het overstortventiel in de binneneenheid moet be-
schermd tegen bevriezing worden gemonteerd, de afvoerbuis moet
zichtbaar eindigend naar een afvoer worden geleid.
4.7
Opstellen
▶ Voer de verpakking af overeenkomstig de instructies daarop vermeld.
▶ Pak de meegeleverde toebehoren uit.
4
7