8.4 Wateraansluitingen
De wateraansluitingen bevinden zich aan de achterzijde
van de ketel. De aanvoer- en retouraansluiting bestaan
uit draadaansluitingen: 4 -7 leden 1
De bovenste blindflens aan de voorzijde van de ketel is
voorzien van 3 x R
draadgaten voor de montage van
"
1
/
2
Afb. 14
9. INSTALLATIEVOORSCHRIFT VOOR DE ELEKTROTECHNISCHE INSTALLATEUR
9.1 Algemeen
De elektrische aansluitingen en -voorzieningen moeten
worden uitgevoerd volgens NEN 1010 en de voorschrif-
ten van de plaatselijke energiebedrijven. De elektrische
aansluitingen dienen overeenkomstig de meegeleverde,
in par. 10.2 weergegeven schema's te worden uitge-
voerd.
De bedrading dient overeenkomstig NEN 1010 in door-
voerbuizen of kabelkanalen gelegd en op deugdelijke
wijze aan het toestel gemonteerd te worden. Alle aan te
sluiten onderdelen dienen voorzien te zijn van een deug-
delijke aarding.
9.2 Elektrotechnische gegevens
Voeding: 230/400 V-50 Hz (zie typeplaat brander).
Maximale zekeringswaarde: 10 A.
Opgenomen vermogen: zie typeplaat.
Aansluitkabel: 2
mm
2
.
1
/
2
Stuurspanning: 230 V-50 Hz.
Maximale zekeringswaarde: 6 A.
Verbindingskabel: 1
mm
1
/
2
en 8 - 12 leden 2
"
1
/
2
2
.
de dompelbuizen. Het retouraansluitstuk is voorzien van
een R
draadgat, waarin een vul- en aftapkraan wordt
"
3
/
4
gemonteerd.
.
De installatie moet voorzien zijn van een veiligheidsklep
"
die qua afmetingen en plaatsing dient te voldoen aan de
eisen volgens NEN 3028.
9.3 Brandschakelaar
Overeenkomstig NEN 3028 dient buiten de stookruimte
een zgn. brandschakelaar te worden gemonteerd om in
geval van calamiteiten de voeding naar het toestel te
kunnen verbreken.
9.4 Waterdrukschakelaar
De ketel is voorzien van een waterdrukschakelaar. De
inschakeldruk bedraagt 1 bar, de uitschakeldruk 0,8 bar.
14
remeha P 200