Rookgasafvoer
4
Rookgasafvoer
4.1
Toegelaten rookgastoebehoren
De rookgastoebehoren zijn onderdeel van de CE-toelating van de ketel.
Daarom mogen alleen de door de fabrikant als toebehoren aangeboden
originele onderdelen worden gemonteerd.
• Rookgastoebehoren concentrische buis Ø 60/100 mm
• Rookgastoebehoren concentrische buis Ø 80/125 mm
• Rookgastoebehoren parallelle buis Ø 80 mm
De benamingen en artikelnummers van de onderdelen van deze originele
toebehoren zijn opgenomen in de algemene catalogus.
4.2
Montagevoorwaarden
4.2.1
Principiële instructies
▶ Respecteer de installatiehandleidingen van de rookgastoebehoren.
▶ Respecteer de afmetingen van boilers voor de installatie van de rook-
gastoebehoren.
▶ Vet de pakkingen aan de moffen van de rookgastoebehoren met op-
losmiddelvrij vet in.
▶ Schuif rookgastoebehoren tot aan de aanslag in de moffen.
▶ Installeer horizontale sectoren met 3° stijging (= 5,2 %, 5,2 cm per
meter) in de rookgasdoorstroomrichting.
▶ Isoleer in vochtige ruimten de verbrandingsluchtbuis.
▶ Plaats inspectieopeningen zodanig, dat deze goed toegankelijk zijn.
4.2.2
Opstelling van de inspectieopeningen
• Bij samen met de ketel geteste rookgasafvoersystemen tot 4 m lengte
is een inspectieopening voldoende.
• In horizontale delen/verbindingsstukken moet minimaal 1 inspectie-
opening worden uitgevoerd. De maximale afstand tussen de inspec-
tie-openingen is 4 m. Inspectie-openingen moeten op bochten groter
dan 45° worden voorzien.
• Voor horizontale delen/verbindingsstukken is in totaal één inspectie-
opening voldoende, wanneer
– het horizontale deel voor de inspectieopening niet langer is dan
2 m en
– de inspectieopening zich in het horizontale deel op maximaal
0,3 m afstand van het verticale deel bevindt, en
– in het horizontale deel voor de inspectieopening niet meer dan
twee bochten aanwezig zijn.
• De onderste inspectieopening van het verticale deel van de rookgas-
afvoerbuis mag als volgt worden opgesteld:
– in het verticale deel van de rookgasafvoer direct boven de aanslui-
ting met het verbindingsstuk of
– aan de zijkant in het verbindingsstuk ten hoogste op 0,3 m af-
stand van de bocht naar het verticale deel van de rookgasafvoer
of
– op de kopse kant van een recht verbindingsstuk ten hoogste op
1 m afstand van de bocht naar het verticale deel van de rookgas-
afvoer.
• Rookgasafvoersystemen, die niet vanuit de uitmonding kunnen wor-
den gereinigd, moeten een extra bovenste inspectieopening hebben
tot maximaal 5 m onder de uitmonding. Verticale delen van rookgas-
afvoerbuizen, die schuin verlopen meer dan 30° tussen de horizon-
taal en de verticaal, hebben op een afstand van maximaal 0,3 m tot
de knikpunten een inspectieopeningen.
• Bij verticale delen kan de bovenste inspectieopening komen te ver-
vallen, wanneer:
– het verticale deel van het rookgasafvoersysteem ten hoogste een-
maal tot 30° schuin wordt geïnstalleerd (getrokken) en
– de onderste inspectieopening niet meer dan 15 m van de uitmon-
ding verwijderd ligt.
10
4.2.3
Rookgasafvoer in de schacht
Eisen
• Op de rookgasafvoerbuis in de schacht mag slechts één ketel worden
aangesloten.
• Sluit eventueel aanwezige aansluitopeningen met de juiste materia-
len goed af, wanneer de rookgasafvoerbuis in een bestaande schacht
wordt ingebouwd.
• De schacht moet bestaan uit niet-brandbare, vormvaste bouwstoffen
en een brandweerstandsduur van minimaal 90 minuten hebben. Bij
gebouwen van geringe hoogte is een brandweerstandsduur van 30
minuten voldoende.
Bouwkundige eigenschappen van de schacht
• Rookgasafvoerbuis naar de schacht als enkelvoudige buis (B
à afb. 7):
– De opstellingsruimte moet een opening van 150 cm
laat of 2 openingen van ieder 75 cm
tenatmosfeer hebben.
– De rookgasafvoerbuis moet binnen de schacht over de gehele
hoogte naverlucht zijn.
– De inlaatopening van de verluchting (minimaal 75 cm
de opstellingsruimte van de stookinstallatie worden voorzien en
worden afgedekt met een luchtrooster.
• Rookgasafvoerbuis naar schacht als concentrische buis (B
àafb. 8)
– In de opstellingsruimte is geen opening naar buiten toe nodig,
wanneer de verbrandingsluchtsamenstelling van 4 m
houd per kW nominaal warmtevermogen is gewaarborgd. Anders
moet de opstellingsruimte een opening van 150 cm
laat of twee openingen van ieder 75 cm
buitenatmosfeer hebben.
– De rookgasafvoerbuis moet binnen de schacht over de gehele
hoogte naverlucht zijn.
– De inlaatopening van de verluchting (minimaal 75 cm
de opstellingsruimte van de stookinstallatie worden voorzien en
worden afgedekt met een luchtrooster.
• Verbrandingsluchttoevoer via concentrische buis in de schacht
(C
afb. 9):
33,
– De verbrandingslucht wordt toegevoerd via de ringspleet van de
concentrische buis in de schacht.
– Een opening naar buiten toe is niet nodig.
– Er mag geen opening voor de naverluchting van de schacht wor-
den aangebracht. Een luchtrooster is niet nodig.
• Verbrandingsluchttoevoer door parallelbuis (C
– De opstellingsruimte moet een opening van 150 cm
laat of 2 openingen van ieder 75 cm
tenatmosfeer hebben.
– De verbrandingslucht wordt toegevoerd via een separate lucht-
toevoerbuis van buiten.
– De rookgasafvoerbuis moet binnen de schacht over de gehele
hoogte naverlucht zijn.
– De inlaatopening van de verluchting (minimaal 75 cm
de opstellingsruimte van de stookinstallatie worden voorzien en
worden afgedekt met een luchtrooster.
• Verbrandingsluchttoevoer door de schacht in tegenstroomprincipe
, afb. 11):
(C
93
– De verbrandingslucht wordt toegevoerd als tegenstroom langs de
rookgasafvoerbuis in de schacht.
– Een opening naar buiten toe is niet nodig.
– Er mag geen opening voor de naverluchting van de schacht wor-
den aangebracht. Een luchtrooster is niet nodig.
Condens 2300i W – 6720891989 (2018/11)
,
23
2
vrije door-
2
vrije doorlaat naar de bui-
2
) moet in
,
33
3
ruimtein-
2
vrije door-
2
vrije doorlaat naar de
2
) moet in
, afb. 10)
53
2
vrije door-
2
vrije doorlaat naar de bui-
2
) moet in