Het veiligheidssysteem controleren
De machine is uitgerust met een
veiligheidssysteem dat starten of rijden onder de
volgende voorwaarden voorkomt.
De machine kan alleen worden gestart indien:
1.
Het maaidek uitgeschakeld is.
2.
De besturingshendels in de buitenste,
vergrendelde neutrale positie staan.
3.
De bestuurder op de bestuurdersstoel zit.
4.
De parkeerrem geactiveerd is.
Voer dagelijks inspectie uit om ervoor te zorgen
dat het veiligheidssysteem werkt door te
proberen de motor te starten wanneer niet is
voldaan aan een van deze voorwaarden. Wijzig
de voorwaarden en probeer het opnieuw.
Wanneer de machine start, indien aan een van
de voorwaarden niet is voldaan, moet u de
machine uitzetten en het veiligheidssysteem
repareren voordat u de machine opnieuw
gebruikt.
Controleer of de motor stopt, indien u, na het
vrijgeven van de parkeerrem, tijdelijk opstaat van
de bestuurdersstoel (of het maaidek is
ingeschakeld of niet).
Controleer of de motor stopt wanneer het
maaidek is ingeschakeld en u even opstaat.
Uitlijnen maaidek
Plaats de maaimachine op een harde, gelijke
ondergrond.
Controleer de bandenspanning in alle vier de
banden. De druk moet 16 psi zijn.
Zet de anti-scalp rollen op alle vier de hoeken in
het bovenste gat.
Zet blokjes van 9 cm onder de anti-scalp rollen
(de snijrand van het mes moet op 15 cm zijn).
Plaats de positiestop in het 15 cm-gat en breng
de hendel naar de pin omlaag.
Stel het onderste einde van alle vier de kettingen
af in gleuven op het maaidek zodat ze precies
strak staan.
30
ONDERHOUD
Voorwaarden om te starten
BELANGRIJKE INFORMATIE
Om te kunnen rijden, moet de bestuurder
op de stoel zitten en de parkeerrem
vrijzetten voordat de stuurhendels in
neutrale positie kunnen worden gezet,
anders zal de motor stoppen.
GLEUVEN VOOR
KETTING AFSTELLING
Uitlijnen maaidek
DEKLIFTARM
BAM-32
BAM-33