•
Als de kabelinvoeropeningen in de behuizing van de centrale al in gebruik zijn om draden naar binnen te
voeren, dient u de bedrading via daartoe geëigende elektrische buizen en een montagedoos aan te sluiten.
Gebruik hiervoor alleen materialen van de juiste brandwerendheidsklasse (HB of beter).
•
Gebruik geen kabelgoten of buizen waardoor ook kabels met netspanning lopen. Dit is vooral van belang als
door deze kabelgoten kabels lopen die stroom leveren aan elektromotoren, TL-verlichting of
krachtstroomkabels. Als dit niet mogelijk is, moet afgeschermde kabel worden gebruikt en moet deze kabel
alleen in de centrale op een aardingsklem worden aangesloten.
3.
De externe buskabel wordt gebruikt voor communicatie tussen de centrale en de bediendelen/uitbreidingen.
Het installeren van deze kabel dient zeer zorgvuldig te gebeuren. Splits deze kabel nooit. Gebruik geen
kabels met draden die worden gebruikt voor telefoonaansluitingen of om bijvoorbeeld knipperlampen,
sirenes of relais te schakelen.
4.
Gebruik voor de aansluiting op de netspanning de netaansluitklem in combinatie met een vaste bedrading of
een flexibel netsnoer dat op een geaard stopcontact is aangesloten. Gebruik altijd kabelstroppen om het
netspanningsnoer vast te maken aan het daartoe bestemde bevestigingspunt bij de netaansluitklem.
•
In geval van een vaste bedrading, moet een gemakkelijk bereikbare, aparte tweepolige stroomverbreker in
het stroomverdeelnet worden ingebouwd.
•
Probeer nooit een netspanningsleiding aan de klemaansluitingen vast te solderen.
5.
Vermijd draadlussen in de centrale en leid kabels zodanig dat ze niet op of onder de printplaat liggen. Het
gebruik van kabelstroppen wordt aanbevolen om de behuizing binnenin ordelijk te houden.
6.
De batterij die bij deze eenheid wordt gebruikt, moet gemaakt zijn van materialen uit een goede
brandwerendheidsklasse (HB of beter).
7.
Circuits die direct op het geïntegreerde relaiscontact of (via de geïntegreerde elektronische uitgang) op het
externe relaiscontact worden aangesloten, moeten compatibel zijn met SELV- (Safety Extra-Low Voltage)
spanningen.
•
Het netschakelrelais mag niet in de behuizing van de centrale worden gemonteerd.
•
Plaats altijd een onderdrukkingsdiode (bijvoorbeeld een 1N4001) parallel aan de relaisspoel.
•
Gebruik uitsluitend een relais met goede isolatie tussen de contacten en de spoel.
8.
De minimumafstand tussen ingebouwde apparatuur bedraagt 50 mm tussen de apparatuur ventilatie-
openingen.
9.
Gebruik de eenheden uitsluitend in een schone omgeving en niet in vochtige lucht.
3.5 De centrale terugbrengen naar standaardinstellingen
BELANGRIJK: Alvorens het systeem te installeren en te programmeren, moeten de standaardwaarden van het
bediendeel worden hersteld om ervoor te zorgen dat u werkt met de correcte standaardwaarden in overeenkomst
met de lokale reglementering.
CS875-575-375-275-175 Installeurshandleiding met CS5500-bediendeel
A.3.2