5
Parameterinstellingen
5.1
Toegangscode 1 - kalibratie
WAARSCHUWING!
Tijdens een kalibratie worden de detectors die worden gekalibreerd, op geblokkeerd gezet.
Daarom moet de bewaking van het gebied dat gewoonlijk door de nu geblokkeerde detectors
wordt gedaan, nu met andere middelen worden verzekerd.
Na het openen van het menu blijven de uitgangen als volgt:
•
Alarmen worden geblokkeerd
•
4-20 mA uitgang is ingesteld volgens toegangscode 2, P2.
•
Storing LED en storingsrelais actief
WAARSCHUWING!
ATEX modus is actief, dan 4-20 mA uitgang volgt instelling uitgevoerd in toegangscode 4, P20.
Stap
Functie
Nulpuntkalibratie
P1
De waarde voor schone lucht instellen
Gasconcentratie meetbereikkalibratie
P2
Mogelijke instellingen: 2 % - 100 % van het meetbereik, standaard 50 %
Meetbereikkalibratie
P3
(Voer kalibratiegas toe met een concentratie ingesteld bij P2 in de detector)
Bevestig nadat waarde is gestabiliseerd
Weergave actuele gasconcentratie
P4
(gedetecteerd door de detector na kalibratie)
Display Volledige Schaal Detectorsignaal bij Kalibratie (afhankelijk van aangesloten
detector / transmitter)
P5
Weergave van Ux waarde (mV) voor passieve detectors of waarde van volledige schaal-
signaal (mA) voor transmitters, bereikt tijdens laatste kalibratieprocedure.
Ingesteld tijdinterval tussen kalibratieaankondigingen
P6
Mogelijke instellingen: 0-999 dagen, standaard: 0 (uitgeschakeld)
KAL symbool gaat knipperen als kalibratie-interval is bereikt.
Inschakelen 4-20 mA kalibratie transmitters
Mogelijke instellingen: A: ingeschakeld, nA: uitgeschakeld, standaard: nA
P7
De signalen voor kalibratie nulpunt (4 mA) en meetbereik (20 mA) moeten, indien ingescha-
keld, binnen de limietinterval ± 10% van de gemeten waarde zijn. Anders wordt fout E1 weer-
gegeven.
Model 9010/9020 SIL
Parameterinstellingen
NL
31