3
Draai aan de achterste comman-
doschijf om een sluitertijd te kiezen
en aan de lensdiafragmaring om het
diafragma te kiezen.
N
•
De handmatige belichtingsweergave omvat een belichtingsindi-
cator die aangeeft in hoeverre de afbeelding onder- of overbelicht
zou zijn met de huidige instellingen.
•
Als de lens niet is uitgerust met een diafragmaring, kan het diafrag-
ma worden aangepast met behulp van de voorste commandoschijf
op de camera.
•
Als de lens is voorzien van een diafragmaring met een „A"- of
„C"-stand, kan de voorste commandoschijf worden gebruikt om
het diafragma aan te passen wanneer de diafragmaring naar A of C
wordt gedraaid.
•
De functies van de voorste commandoschijf kunnen worden
gewijzigd met behulp van D TOETS-/SCHIJFINSTELLINGEN >
COMMANDOSCHIJF INSTELLING.
N
•
OPNAMEMODUS is bij verzending aan de Fn2-knop toegewezen. De
functie van het weergeven van het menu OPNAMEMODUS kan echter
worden toegewezen aan andere functieknoppen met behulp van
D TOETS-/SCHIJFINSTELLINGEN > FUNCTIE-INS. (Fn). De Fn2-knop
kan ook aan andere rollen worden toegewezen.
•
De opnamemodus kan ook worden gekozen met behulp van
H INSTELLINGEN BEELDKWALITEIT > OPNAMEMODUS.
•
De sluitertijd kan worden vergrendeld door het ingedrukt houden van
de knop waaraan OPNAMEMODUS is toegewezen. Houd de knop
opnieuw ingedrukt om de sluitertijd te ontgrendelen.
P-, S-, A- en M-modi
61
3