Download Inhoudsopgave Inhoud Print deze pagina

Overzicht Parameterfuncties - REMKO RR 21.0 Bedieningshandleiding

Inhoudsopgave

Advertenties

REMKO RR

Overzicht parameterfuncties

Beschrijving
Keuze van het te gebruiken systeemtype:
Tweedraads-systeem (P01=0): Aansturing van slechts een klep via klem 9 (een
verwarmings-/koelklep: klepaansluitvariant a of b). Bij installaties zonder ventiel, moet
de ventilatoraansturing worden ingesteld via de parameters P03 en P04.
Vierdraads-systeem (P01=1): Aansturing van twee kleppen voor verwarmings- en
koelbedrijf via klem 9 (verwarmen) en klem 11 (koelen) (klepaansluitvariant c en d)Elektr.
verwarmingselement (P01=2): Aansturing van installaties met een koelklep via klem
P01
11/12 en een elektrisch verwarmingselement via klem 9 (klepaansluitvariant e of f).
2. Warmtebron (P01=3): Aansturing van installaties met een verwarmingsklep via
klem 11/12 en een elektrisch verwarmingselement via klem 2. Warmtebron via klem
9 (klepaansluitvariant e of f).
Warmtepomp (P01=4): Aansturing van een warmtepompinstallatie met aansturing
van een compressor en een omkeerklep (klepaansluitvariant g).
De betreffende hoofdstukken opvolgen.
Omschakelmodus van de regelaar van de koelmodus (zomer) naar
de verwarmingsmodus (winter):
Handmatige omschakeling (P02=0): De gebruiker stelt handmatig de koel- resp.
verwarmingsmodus in. Automatische omschakeling (P02=1): De regelaar schakelt automatisch
om naar koel- of verwarmingsmodus. Bij een vierdraads-systeem of een warmtepompinstallatie,
werkt de regelaar met een neutrale zone en schakelt op basis van de ingestelde instelwaarde
naar de verwarmings- of koelmodus. Bij een tweedraads-systeem of een elektrisch
verwarmingselement schakelt de regelaar om op basis van de aanvoertemperatuurvoeler SM.
Ligt de aanvoertemperatuur onder de in parameter C01 ingestelde grenswaarde, schakelt de
P02
regelaar naar de koelmodus. Ligt de aanvoertemperatuur boven de in parameter C02 ingestelde
grenswaarde, schakelt de regelaar naar de verwarmingsmodus. Ligt de temperatuur tussen
C1 en C2, wordt de bedrijfsmodus niet omgeschakeld en kan dit alleen handmatig worden
gewijzigd. Werkt de aanvoertemperatuurvoeler SM niet, resp. is deze niet aangesloten, vervalt
een automatische regeling en kan de bedrijfsmodus alleen handmatig worden gekozen.
Centrale omschakeling (P02=2): Worden meerdere regelaars in één installatie toegepast, kan
via klem 4 een centrale omschakeling plaatvinden. De functielogica kan via de parameters
C14, C15 en C16 worden gekozen. Bij de instelling C14=1 en niet geschakeld contact I/O,
wordt de verwarmingsmodus geactiveerd, bij geschakeld contact I/O wordt de koelmodus
geactiveerd. Inverteren van de ingang door C14=2 mogelijk.
Functielogica van de klep en ventilator in de modus verwarmen:
Moet de temperatuurregeling alleen via de kleppen gebeuren, zal de ventilator ook na
het bereiken van de instelwaarde ingeschakeld blijven (P03=1). Moet de temperatuur
door de werking van de ventilator worden geregeld, is de klep ok na het bereiken
P03
van de instelwaarde altijd open (P03=2). De klep en de ventilator kunnen bij het
bereiken van de temperatuur eveneens worden uitgeschakeld (P03=3). Bij systemen
met verwarmingselement of warmtepomp, kunnen deze parameters de aansturing
van de klepuitgangen niet blokkeren, omdat deze uitgangen specifiek voor elk
installatiesysteem worden aangestuurd.
Functielogica van de klep en ventilator in de modus koelen:
Moet de temperatuurregeling alleen via de kleppen gebeuren, zal de ventilator ook na
het bereiken van de instelwaarde ingeschakeld blijven (P04=1). Moet de temperatuur
door de werking van de ventilator worden geregeld, is de klep ok na het bereiken
P04
van de instelwaarde altijd open (P04=2). De klep en de ventilator kunnen bij het
bereiken van de temperatuur eveneens worden uitgeschakeld (P04=3). Bij systemen
met verwarmingselement of warmtepomp, kunnen deze parameters de aansturing
van de klepuitgangen niet blokkeren, omdat deze uitgangen specifiek voor elk
installatiesysteem worden aangestuurd.
Ventilatoraansturing in de modus verwarmen (klem 9/10):
Servomotoren (P05=1), NC-kleppen (P05=2), NO-kleppen (P05=3),
P05
mediumdebietgeregelde NC- (P05 =4 ) of NO-kleppen (P05=5) kunnen worden
gebruikt (zie hoofdstuk "Mogelijke klepaansluitvarianten").
20

Advertenties

Inhoudsopgave
loading

Inhoudsopgave