de richting van de dichtstbijzijnde rook- en/of hittemelder (in ieder geval niet dicht
bij metalen oppervlakken of bedrading). Dit kan de zend- en ontvangsthoek van de
RF-sokkelvoet verbeteren.
Het draaien of herplaatsen van de units kan tot gevolg hebben dat de melders
buiten het bereik van bestaande units raken, ook al zijn zij d.m.v. een huiscode
correct in het systeem geïnstalleerd. Daarom is het belangrijk om te controleren
of alle RF-sokkelvoeten in hun uiteindelijke geïnstalleerde positie communiceren.
Als units gedraaid of herplaatst zijn, raden we aan om alle units terug te zetten in
de oorspronkelijke fabrieksinstellingen (druk de huiscode programmeerknop in en
houdt het ongeveer 6 seconden vast totdat de oranje LED langzaam knippert).
Stel dan opnieuw voor alle units de huiscode in (zie hoofdstuk 2 Installatie).
Controleer daarna nogmaals de RF-verbinding.
5. Regelmatig testen van de rookmelders
5.1) Controleer na installeren altijd de rookmelder(s) op functioneren. Branden de
groene en rode LED? Flitst de rode LED elke 40 sec?
Testen van 1 rookmelder: druk ca. 20 seconden op de Test&Hush knop op de
rookmelder. De rode LED op de rookmelder zal tijdens deze test knipperen
terwijl de sirene gaat. De melder stopt kort nadat u de knop loslaat. Door op de
Test&Hush knop te drukken simuleert u het effect van rook bij brand en worden de
rookkamer, elektronische delen en de sirene getest.
5.2) Testen van gekoppelde rookmelders: test de eerste melder door ca. 20
seconden op de Test&Hush knop te drukken. Alle rookmelders gaan nu binnen
14