8
1. Motorkop - Bevat de motor, de koppeling, het brandstofsysteem, het ontstekingssysteem, de trekstarthendel en de
tandwielkast van de boor.
2. Stopschakelaar - "Schuifschakelaar" boven op het gasklephuis.
Schuif de schakelaar "Vooruit" om te "Draaien" en "Achteruit" om te "Stoppen".
3. Boogvormige handgreep - De gebruikerspositie bevat de bedieningshandgreep en de boogvormige handgreep.
De helperpositie bestaat uit de boogvormige handgreep.
4. Aftakas - De aftakas levert vermogen aan accessoires van de boor.
5. Boorstang - Is bevestigd aan de aftakas.
De boorstang moet afzonderlijk als accessoire worden gekocht.
Zie pagina 10 voor een lijst met booraccessoires.
6. Vonkvanger met geluidsdemper - De geluidsdemper beperkt het lawaai en de emissies van de uitlaat.
Het scherm van de vonkvanger voorkomt dat er hete, gloeiende koolstofdeeltjes uit de uitlaat ontsnappen.
Houd de uitlaat vrij van brandbare resten.
7. Brandstoftank
8.
Trekstarthendel - Trek traag aan de hendel tot de starter koppelt en trek dan snel en stevig.
Wanneer de motor aanslaat, laat u de hendel traag terugkeren.
Laat de hendel niet terug schieten om schade aan het apparaat te voorkomen.
9. Brandstoftankdop - Dekt en dicht de opening van de brandstoftank af.
10. Aanzuigpomp - Door de aanzuigpomp te bedienen, wordt verse brandstof uit de brandstoftank aangezogen en in de
carburator gespoten voor het opstarten.
Bedien de aanzuigpomp tot er brandstof zichtbaar is en vrij door de terugvoerlijn van de brandstoftank stroomt.
Druk nog 4 of 5 keer extra op de aanzuigpomp.
11.
12. Choke
Zet de hendel in de startpositie ( ) (choke gesloten) en terug in de draaipositie ( ) (choke open).
13. Luchtstroomrichter - Richt warme motorkoellucht weg van de gebruiker.
14. Tandwielkast - De afgedichte tandwielkast zorgt voor een reductie van 30,2 tot 1 voor de beste combinatie van vermogen
en boorsnelheid.
Vereist geen onderhoud door de gebruiker.
15. Bedieningshandgreep - Bevat de voornaamste bedieningen voor de gebruiker - Gashendel, stopschakelaar en
veiligheidshendel.
16. Veiligheidshendel - De gashendel kan enkel worden bediend als de veiligheidshendel bediend is.
17. Gashendel - Onder veerdruk om terug te keren naar vrijloop bij loslaten.
Druk bij het versnellen geleidelijk op de gashendel voor de beste bedieningstechniek.
18. Reduceerknop - Druk op deze knop bij het opstarten.
Wordt automatisch gereset nadat de motor is opgestart en draait.
19. Onderste handgreep - Om door de gebruiker met het rechter hand vast te houden wanneer het apparaat door twee
personen wordt bediend.
20. Bougie - Geeft vonken om het brandstofmengsel te ontsteken.