7.1.4 Functie hellingshoek
1.
Leg het apparaat op de achterzijde
Het apparaat is niet genivelleerd.
Het apparaat knippert elke twee seconden.
7.1.5 Gebruik met de laserontvanger PMA 31
Zie de handleiding van de PMA 31 voor nadere informatie.
7.2 Gebruiksvoorbeelden
7.2.1 Hoogtes overnemen 3
7.2.2 Verticaal uitrichten van buisleidingen 4
7.2.3 Uitlijnen van verwarmingselementen 5
nl
7.2.4 Uitlijnen van deur- en raamkozijnen 6
7.3 Controleren
7.3.1 Controleren van de nivellering van de voorste
laserstraal 7
1.
Zet het apparaat op een egaal en horizontaal op-
pervlak, circa 20 cm van de muur (A), en richt de
laserstraal op de muur (A).
2.
Markeer het snijpunt van de laserlijnen met een kruis
op de muur (A).
3.
Draai het apparaat 180° en markeer het snijpunt van
de laserlijnen met een kruis op de tegenoverliggende
muur (B).
4.
Zet het apparaat op een egaal en horizontaal op-
pervlak, circa 20 cm van de muur (B), en richt de
laserstraal op de muur (B).
5.
Markeer het snijpunt van de laserlijnen met een kruis
op de muur (B).
6.
Draai het apparaat 180° en markeer het snijpunt van
de laserlijnen met een kruis op de tegenoverliggende
muur (A).
7.
Meet de afstand d1 tussen 1 en 4 en d2 tussen 2 en
3.
8.
Markeer het middelpunt van d1 en d2.
Wanneer de referentiepunten 1 en 3 zich aan ver-
schillende kanten van het middelpunt bevinden, trek
dan d2 van d1 af.
Wanneer de referentiepunten 1 en 3 aan dezelfde
kant van het middelpunt liggen, tel dan d1 bij d2 op.
9.
Deel het resultaat door de dubbele waarde van de
lengte van het vertrek.
De maximale fout bedraagt 3 mm op 10 m.
60
7.3.2 Controleren van de nauwkeurigheid van de
horizontale lijn 8 9
1.
Zet het apparaat aan de rand van een ruimte van
minstens 10 m lang.
AANWIJZING Het vloeroppervlak dient vlak en ho-
rizontaal te zijn.
2.
Schakel alle laserstralen in.
3.
Fixeer een doelplaat op een afstand van minstens
10 m van het apparaat, zodat het snijpunt van de
laserlijnen in het midden van de doelplaat (d0) wordt
weergegeven en de verticale lijn van de doelplaat
precies door het midden van de verticale laserlijn
loopt.
4.
Draai het apparaat 45°, van bovenaf gezien
rechtsom.
5.
Markeer vervolgens op de doelplaat het punt (d1)
waar de horizontale laserlijn de verticale lijn van de
doelplaat raakt.
6.
Draai het apparaat nu 90° linksom.
7.
Markeer vervolgens op de doelplaat het punt (d2)
waar de horizontale laserlijn de verticale lijn van de
doelplaat raakt.
8.
Meet de volgende verticale afstanden: d0-d1, d0-d2
en d1-d2.
AANWIJZING De grootste gemeten verticale af-
stand mag bij een meetafstand van 10 m maximaal
5 mm bedragen.
7.3.3 Controleren van de verticale lijn 10
1.
Positioneer het apparaat op een hoogte van 2 m.
2.
Schakel het apparaat in.
3.
Positioneer de eerste doelplaat T1 (verticaal) op een
afstand van 2,5 m van het apparaat en op dezelfde
hoogte (2 m), zodat de verticale laserstraal de plaat
raakt en markeer deze positie.
4.
Positioneer nu de tweede doelplaat T2 2 m onder
de eerste doelplaat, zodat de verticale laserstraal de
plaat raakt en markeer deze positie.
5.
Markeer positie 2 aan de tegenoverliggende zijde
van de testopstelling (gespiegeld) op de laserlijn op
de grond bij een afstand van 5 m tot het apparaat.
6.
Plaats nu het apparaat op de gemarkeerde positie
2 op de vloer. Richt de laserstraal zodanig op de
doelplaten T1 en T2 dat deze de doelplaten in de
buurt van de hartlijn raakt.
7.
Lees de afstand D1 en D2 op iedere doelplaat af en
bereken het verschil (D = D1 - D2).
AANWIJZING Controleer of de doelplaten paral-
lel aan elkaar staan en zich in hetzelfde verticale
vlak bevinden. (Een horizontale verstelling kan een
meetfout veroorzaken).
Wanneer het verschil D groter dan 3 mm bedraagt,
moet het apparaat opnieuw in een Hilti service center
worden afgesteld.