5. Communicatievoorzieningen
De pinout van de RS232-interface is als volgt:
5.2 Relaisinterface
De volgende meldingen zijn op deze interface af te lezen:
• batterijmodus
• resterende autonomie
• algemeen alarm
• overbelasting
• UPS in bypassmodus
• UPS in normale modus
De contacten van de relaisinterface
bedieningspaneel worden geconfigureerd als normaal gesloten (NC) (zie paragraaf 6.4.2 - pad
contacts).
De contacten bevinden zich aan de achterkant van de UPS en zijn beschikbaar via 8- en 6-polige connectors.
Dit zijn de elektrische kenmerken van de relaisinterface:
- V
= 250 Vac / 30 Vdc.
MAX
- I
= 5 A.
MAX
De pinout van de relaisinterface is als volgt:
PIN
1 - 2
3 - 4
5 - 6
7 - 8
5.3 Noodschakelaar
De UPS heeft een extern normaal gesloten contact dat kan worden geopend om de apparatuur onmiddellijk uit te
schakelen.
De noodschakelaar bevindt zich aan de achterkant van de UPS op pinnen 3 en 4 van de 6-polige connector op de
relaisinterface:
Voor de correcte aansluiting van de noodschakelaar moet aan de volgende vereisten voldaan worden:
26
PIN
2
3
5
1 - 4 - 6
7 - 8
zijn standaard geprogrammeerd als normaal open (NO), maar kunnen via het
CONNECTOR A
FUNCTIE
Contact 1
standaard: batterijmodus
Contact 2
standaard: resterende autonomie
Contact 3
standaard: algemeen alarm
Contact 4
standaard: overbelasting
FUNCTIE
RX
TX
GND
(samen aangesloten)
(samen aangesloten)
PIN
1 - 2
standaard: UPS in bypassmodus
Noodschakelaar (zie paragraaf 5.3)
3 - 4
5 - 6
UPS Setup Dry
CONNECTOR B
FUNCTIE
Contact 5
-