5. "Event Logs" (Eventlogs): Toont de activiteiten per gebruiker.
6. "Team Folder" (Teammap): Toont de status van de teammap, waaronder mappen die u
gedeeld heeft, en die door anderen worden gedeeld.
7. "Shared Folder" (Gedeelde map): Beheerders kunnen ervoor kiezen welke gedeelde
mappen gesynchroniseerd zullen worden met client-apparaten. Als een gebruiker
lees/schrijf of alleen-lees en synchronisatie privileges heeft op een gedeelde map, dan
kan deze gedeelde map gesynchroniseerd worden met hun client-apparaat
8. "Shared File Links" (Gedeelde bestandlink): Toont de status van gedeelde links.
9. "Version Control" (Versiebeheer): U kunt het maximum aantal versies instellen voor uw
bestanden en de ruimte controleren die door versiebeheer gebruikt wordt.
"Centralized Mode" (Centrale modus) gebruiken voor centraal beheer
Beheerders kunnen nu vooraf geconfigureerde instellingen toepassen op apparaten die voor
de eerste keer verbinding maken met de NAS, het recht beperken van gebruikers om
wijzigingen aan te brengen in alle of bepaalde voorkeursinstellingen van hun cliënt-utilities,
instellingen bewerken voor individuele online QSync-clientapparaten, of een
beheerwachtwoord instellen (een hoofdwachtwoord voor alle clientapparaten.)
Om de vooraf geconfigureerde instellingen toe te passen, volgt u deze stappen:
1. Log in op de NAS als een beheerder > "Qsync Central Station 2.0" > "Management
settings" (Beheerinstellingen),
2. klik op "Edit default settings" (Standaardinstellingen bewerken).
3. Onder het tabblad "Synchronize" (Synchroniseren) kiest u of u er externe bestanden zijn
op de NAS die u tijdens de synchronisatie verwijderen wilt.
4. Onder het tabblad "Policy" (Beleid) stelt u conflictbeleid en filterinstellingen in.
5. Onder het tabblad "Mails" (E-mail) stelt u de e-mailoptie en afzenderdetails in.
6. Klik op "Apply" (Toepassen).
Om alle gebruikers toe te staan hun eigen client-utility te configureren, volgt u deze stappen:
1. Log in op de NAS als een beheerder > "Qsync Central Station 2.0" > "Management
settings" (Beheerinstellingen),
2. kies "Central Configuration Mode" (Centrale configuratiemodus) en vink de
voorkeursinstellingen aan die gebruikers moeg wijzigen voor hun Qsync-clientapparaat.
3. Klik op "Apply" (Toepassen).
Om de instellingen te wijzigen voor individuele Qsync-clientapparaten, volgt u deze stappen:
1. Log in op de NAS als een beheerder en navigeer naar de pagina "Devices" (Apparaten) in
Qsync Central Station.
190