e_kb494.book Page 129 Wednesday, February 3, 2010 10:30 AM
5
Druk op de knop 4.
De instelling wordt opgeslagen.
6
Druk op de knop 3.
De camera gaat terug naar de opnamestand.
• Wanneer de ontspanknop tot halverwege wordt ingedrukt,
wordt het licht gemeten en wordt de belichting bepaald.
• Wanneer het onderwerp zich buiten het AF-veld bevindt en u N
spotmeting wilt gebruiken, richt u de camera op het onderwerp
en drukt u de ontspanknop tot halverwege in om de belichting
vast te zetten. Bepaal de beelduitsnede opnieuw en druk
de ontspanknop helemaal in.
• Of de automatische belichting wordt aangepast, is afhankelijk
van de geselecteerde opnamestand. Zie "Beschikbare functies
voor elke opnamefunctie" (p.258) voor details.
• Als u de instelling van de functie [Autom. belicht.] vaak wijzigt,
kunt u tijd besparen door deze functie toe te wijzen aan de knop
Snelinstelling (p.136).
De instelling van de automatische belichting opslaan 1p.143
De gevoeligheid instellen
U kunt de gevoeligheid selecteren op basis van het omgevingslicht.
De gevoeligheid wordt automatisch aangepast door de camera.
Auto
(Gevoeligheid 80 - 800)
80
Bij een lagere gevoeligheid wordt de opname scherper met minder
ruis. Bij weinig licht wordt de sluitertijd langer.
100
200
400
800
1600
Bij een hogere gevoeligheid is er een relatief korte sluitertijd bij slechte
lichtomstandigheden, zodat bewegingen van de camera slechts een
3200
beperkte invloed op de opnamekwaliteit hebben. Opnamen kunnen
6400
echter wel ruis (vlekken) bevatten.
3
129