INSTALLATIE
1.
Plaats de LS4 en breng de voedingskabel aan. Zie
afbeelding 1-4.
Faserotatie wordt aanbevolen om een gelijke last op
alle fasen te realiseren wanneer er meerdere LS4-
stations op dezelfde netaansluiting aangesloten worden.
Bijvoorbeeld:
Eerste LS4: L1, L2, L3
Tweede LS4: L3, L1, L2
Derde LS4: L2, L3, L1
Enz. enz.
Let op: Als DLM af fabriek is voorgeconfigureerd, volgt u
de aangegeven fasevolgorde bij ingaande aansluitingen.
Informatie hierover vindt u bij alle voorgeconfigureerde
LS4-stations in de behuizing.
De pakking onderaan de LS4 moet stevig aansluiten
rond de netstroomkabel om te voorkomen dat vuil, stof,
ongedierte enz. in de LS4 kunnen komen. Zie afbeelding
4.
2.
Bij installatie van LS4-stations in een netwerk brengt u
een TP-kabel CAT6 met RJ45-connectoren aan tussen elk
LS4-station en de meegeleverde ethernetrouter/switch
(bijvoorbeeld in de LS4-master). Een voorbeeld van een
ethernet-aansluitdiagram vindt u in afbeelding 5, 6.
Voorbeeld van master/slave-formulier voor LS4-stations in een netwerk.
NL
Rol
Serienummer / M-nummer
Master
M00001
Slave 1
M00002
Slave 2
M00003
Slave 3
M00004
Slave 4
M00005
Slave 5
Slave 6
Slave 7
Slave 8
Slave 9
Slave 10
Bij installatie van LS4-stations in een netwerk moet
voor de installatie van de LS4-stations de volgorde
in het bijgevoegde master/slave-bestand worden
aangehouden. Zie afbeelding 5, 6.
3.
Als er sprake is van een externe energiemeter (voor DLM-
functie) sluit u de communicatieaansluitingen A- en B+
van de energiemeter aan op de aansluitingen 200 (A-)
en 201 (B+) van het LS4-masterstation. Het modbus-adres
voor de energiemeter moet worden ingesteld op #2. De
modbus RS-485 communicatie-instellingen zijn: Baud
9600, 8 bit, 1 stop bit, no parity.
4.
Schakel de stroom in.
5.
Test het LS4-station aan beide zijden met een EVSE-tester
of een EV. Als er een autorisatie (via een RFID-tag of iets
dergelijks) nodig is om met opladen te beginnen, moet u
contact opnemen met de backend-beheerder.
6.
Vul het garantieformulier volledig in.
4