6.1
Koppeling van Wireless-apparaten met het System Access Point
Draadloze free@home-apparaten moeten eerst aan het System Access Point worden
gekoppeld, voordat ze in een project kunnen worden gebruikt. Tijdens de koppeling wisselen de
apparaten een veiligheidssleutel uit.
Na de koppeling vindt de communicatie tussen de apparaten versleuteld plaats en zijn ze vast
verbonden met het System Access Point. Gekoppelde apparaten kunnen niet met een ander
System Access Point worden verbonden. Daarvoor moeten ze eerst worden gereset op de
fabrieksinstellingen.
Voer de volgende handelingen uit om één of meerdere apparaten aan het systeem te koppelen:
1. Installeer het/de free@home Wireless-apparaat/-apparaten.
2. Roep met uw smartphone, tablet of pc de gebruikersinterface op van het gebruiksklare
System Access Point.
3. Schakel de netspanning van de free@home Wireless-apparaten in.
De apparaten bevinden zich nu gedurende 30 minuten in de programmeermodus.
Afb. 10:
Koppeling wireless-apparaten met System Access Point
4. Kies op de gebruikersinterface het System Access Point "Systeeminstellingen" →
"free@home-Wireless instellingen" → "Wireless apparaten zoeken".
Het System Access Point scant één voor één alle draadloze free@home-kanalen.
Apparaten die zich in de programmeermodus bevinden worden automatisch in het systeem
geïntegreerd. 10 minuten nadat het laatste apparaat is gevonden wordt het scannen
afgesloten.
Geïntegreerde apparaten worden op de gebruikersinterface in de "Apparatenlijst"
opgenomen.
5. Controleer aan de hand van het serienummer of alle geïnstalleerde apparaten zijn
gevonden.
Als een apparaat niet is gevonden, reset u het apparaat naar de fabrieksinstellingen en start
u een nieuwe scancyclus.
Mogelijke redenen voor niet gevonden apparaten:
Het apparaat bevond zich niet in de programmeermodus.
■
De programmeertijd van 30 minuten is verstreken.
■
Het apparaat is reeds aan een ander systeem gekoppeld.
■
Producthandboek 2CKA002273B9185
Inbedrijfname
│20