Opstellen
Opstellen
De watertoevoer aansluiten
Neem een watertoevoerslang met de kwaliteit van een
tuinslang en een binnendiameter van ten minste 19 mm
(3/4 inch) en een lengte van maximaal 15 m (50 voet).
Controleer of de waterinlaatzeef schoon en vrij van
obstructies is. Het regelmatig reinigen van de waterzeef
zal problemen met de pomp helpen vermijden.
Naarmate een zeef verstopt raakt, kan het water niet
meer goed naar de pomp stromen. Dit kan leiden tot
cavitatie en uiteindelijk tot vroegtijdige slijtage van
pomppakkingen.
De slangen aansluiten
1.
Sluit een uiteinde van de watertoevoerslang aan op de
waterinlaat van het apparaat.
2.
Sluit het andere slanguiteinde aan op de watertoevoer
onder druk. Bij het aansluiten van de waterinlaat op
de waterleiding moet de plaatselijke regelgeving van de
watermaatschappij gerespecteerd worden. In sommige
gebieden mag het apparaat niet rechtstreeks aangesloten
worden op de openbare drinkwatervoorziening.
Dit voorkomt dat er detergenten terecht zouden komen
in de watertoevoer. Een rechtstreekse aansluiting is
toegelaten als er een anti-terugstroomklep geïnstalleerd
is.
3.
Sluit de slang van de hogedrukreiniger aan op de
wateruitlaat van de unit.
4.
Sluit het andere uiteinde van de slang aan op het
pistool.
De watertoevoer moet aan het volgende voldoen:
1.
De waterdruk moet minimaal 0,17 MPa (1,72 bar, 25 psi)
en maximaal 0,86 MPa (8,6 bar, 125 psi) bedragen.
OPMERKING: Dit is de druk die u doorgaans verkrijgt
door een standaard buitenkraan volledig open te draaien.
12
LET OP
2.
De inkomende waterstroom moet ca. 4 liter per minuut
meer kunnen zijn dan de nominale uitstroom volgens
het typeplaatje van de hogedrukreiniger.
OPMERKING: U kunt de waterstroom controleren door
te timen hoe lang het duurt om een vat van bijvoorbeeld
20 liter te vullen.
3.
De temperatuur van het binnenkomende water mag
niet hoger zijn dan 60 °C (140 °F).
Te heet water kan de pomp ernstig beschadigen.
Laat het apparaat nooit alleen draaien zonder dat de
watertoevoerleiding aangesloten is en de watertoevoer
volledig open staat. Dit kan leiden tot schade aan de
apparatuur.
De pomp voorpompen
De pomp moet worden voorgevuld voor de eerste keer
opstarten en telkens als de watertoevoer is losgekoppeld
van het apparaat na het eerste gebruik.
1.
Leg de hogedrukslang rechtuit, zodat er geen knikken
in zitten die de waterstroom belemmeren.
OPMERKING: De spuitmond mag op dat ogenblik niet
aangesloten zijn op het pistool.
2.
Zet de trekker op de veiligheidspal en richt het pistool
weg van uzelf en anderen. Controleer of de watertoevoer
volledig opengedraaid is.
3.
Ontgrendel de trekker en haal hem over.
OPMERKING: Er zal water onder lage druk beginnen
stromen uit de slang-/pistoolconstructie. Zo wordt
het apparaat gevuld en wordt lucht uit het systeem
verwijderd. Het apparaat wordt voorgevuld wanneer
de waterstroom niet door lucht wordt onderbroken.
4.
Laat de trekker los en vergrendel hem zodra het
apparaat voorgevuld is. Maak de spuitmond stevig
vast. Zie Aansluiting van de spuitmond, pagina 13.
Tijdens het voorvullen van de pomp mag de spuitmond
nog niet aangesloten zijn. Door de pomp voor te vullen,
worden minerale afzettingen uit het systeem gehaald die
de spuitmond anders zouden verstoppen of beschadigen
en zo zouden leiden tot dure reparaties.
LET OP
LET OP
3A6596F