3 Voorbereiding
A (m
)
2
100
95
90
85
80
75
70
65
60
55
50
45
40
35
30
25
20
15
10
5
0
1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 1.9 2.0 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 3.0 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
A
Minimumvloeroppervlakte voor de hybride unit (m
B
Totale koelmiddelvulling in het systeem (kg)
H
De hoogte gemeten vanaf de vloer tot aan de onderkant
van de behuizing. De grafiek is gebaseerd op de hoogte
gemeten vanaf de vloer tot aan de wartelmoer.
▪ De binnenunit is ontworpen om alleen binnen geïnstalleerd te
worden (in een technische kamer of soortgelijk) en bij
omgevingstemperaturen van 5~30°C in de verwarmingsstand.
3.2
De waterleidingen voorbereiden
OPMERKING
Wanneer kunststofleidingen worden gebruikt, zorg ervoor
dat
deze
zuurstofdiffusiedicht
DIN 4726. De diffusie van zuurstof naar de leidingen kan
overmatige corrosie veroorzaken.
3.2.1
Het watervolume en waterdebiet
controleren
Minimum watervolume
Controleer of het totale watervolume in de installatie minimum
13,5 liter bedraagt, waarbij het watervolume in de binnenunit NIET
inbegrepen is.
INFORMATIE
Voor kritieke processen of in kamers met een grote
warmtebelasting kan extra watervolume vereist zijn.
OPMERKING
Wanneer
de
circulatie
koelingslus geregeld wordt door op afstand bediende
kleppen, is het belangrijk dat dit minimum watervolume
behouden blijft, zelfs wanneer alle kleppen dicht zijn.
Minimum debiet
Controleer of het minimum debiet (vereist tijdens ontdooien/back-
upverwarming)
in
de
installatie
omstandigheden.
OPMERKING
Wanneer
de
circulatie
ruimteverwarmingslussen geregeld wordt door op afstand
bediende kleppen, is het belangrijk dat dit minimum debiet
behouden blijft, zelfs wanneer alle kleppen dicht zijn.
Indien het minimum debiet niet kan worden bereikt, zal er
een debietfout 7H worden gegenereerd (geen verwarming/
bediening).
Installatiehandleiding
6
B (kg)
2
)
zijn
overeenkomstig
in
elke
ruimteverwarming-/
gegarandeerd
is
in
alle
in
alle
of
bepaalde
Zie de uitgebreide handleiding voor de installateur voor meer
informatie.
Minimum nodig waterdebiet
Modellen 05+08
Zie de aanbevolen procedure zoals beschreven in
tijdens inbedrijfstelling" op
pagina 21.
3.3
De elektrische bedrading
voorbereiden
3.3.1
Overzicht van de elektrische verbindingen
voor de uitwendige en inwendige
stelmotoren
Onderde
Beschrijving
el
Elektrische voeding van buitenunit en binnenunit
1
Elektrische voeding
voor buitenunit
2
Elektrische voeding en
doorverbindingskabel
naar binnenunit
3
Elektrische voeding
gasketel
Gebruikersinterface
4
Gebruikersinterface
Optionele uitrustingen
5
3‑wegsklep
6
Thermistortank voor
warm tapwater
7
Kamerthermostaat/
warmtepompconvector
8
Buitenomgevingstempe
ratuursensor
9
Binnenomgevingstemp
eratuursensor
Ter plaatse te voorziene onderdelen
10
Afsluiter
11
Pomp voor warm
tapwater
12
Alarmuitgang
13
Omschakeling naar
externe
warmtebronregeling
14
Bediening
ruimteverwarming
15
Veiligheidsthermostaat 2
(a)
Zie naamplaatje op buitenunit.
(b)
Minimum kabeldoorsnede 0,75 mm².
(c)
Gebruik de bij de ketel meegeleverde kabel.
(d)
De thermistor en aansluitdraad (12 m) worden bij de tank
voor warm tapwater geleverd.
(e)
Kabeldoorsnede 0,75 mm² tot 1,25 mm², maximumlengte:
50 m. Een spanningsvrij contact zorgt voor de minimale
belasting van 15 V DC gelijkstroom, 10 mA.
(f)
Kabeldoorsnede 0,75 mm² tot 1,25 mm²; maximumlengte:
500 m. Geschikt om zowel de enkele gebruikersinterface
als de dubbele gebruikersinterface aan te sluiten.
(g)
Kabeldoorsnede 1,5 mm
Daikin hybride voor multiwarmtepomp – warmtepompmodule
9 l/min
"6.2 Checklist
Draden
Maximumstr
oom in
functie
(a)
2+GND
(g)
3+GND
(c)
2+GND
(f)
2
(b)
3
100 mA
(d)
2
(b)
3 of 4
100 mA
(b)
2
(b)
2
(b)
2
100 mA
(b)
2
(b)
2
(b)
2
(b)
2
(e)
2
; maximumlengte: 50 m.
CHYHBH05+08AA
4P471756-1B – 2017.04