Bedieningshandleiding
Veiligheidsstilstandsbewaker
2.5 Veiligheidsclassificatie
Voorschriften:
PL:
Categorie:
PFH:
1,0 x 10
SIL:
Gebruiksduur:
3. Montage
3.1 Algemene montage-instructies
De bevestiging gebeurt via snelbevestiging voor DIN rails volgens
EN 60715.
3.2 Afmetingen
Afmetingen component (H/B/D): 100 x 45 x 121 mm
4. Elektrische aansluiting
4.1 Algemene opmerkingen betreffende de elektrische aansluiting
De elektrische aansluiting mag uitsluitend in spanningsloze
toestand door gemachtigd en gekwalificeerd personeel
uitgevoerd worden.
Schakelvoorbeelden zie bijlage
5. Werkingsprincipe en instellingen
5.1 Werkingsprincipe na het inschakelen van de bedrijfsspanning
Na het inschakelen van de bedrijfsspanning volgt een initialisatiefase,
waarin de veiligheidsstilstandsbewaker zijn interne functies en de
toestand van de veiligheidsrelais controleert. Na deze controle worden
de ingangen van de veiligheidsstilstandsbewaker geëvalueerd.
De taktfrequentie van de aangesloten naderingsschakelaars wordt met een
vaste geprogrammeerde grensfrequentie vergeleken. Ter controle van de
naderingsschakelaars wordt een tweede vergelijking uitgevoerd tussen het
signaal van het veiligheidscontact en de gedetecteerde frequentie. Wordt de
onderste geprogrammeerde frequentie overschreden en geeft het contact
van het externe relais een motorstilstand aan (contact gesloten), dan worden
de beide veiligheidsrelais aangestuurd en de vrijgavecontacten gesloten.
Als een van de stilstandvoorwaarden niet langer vervuld is (frequentie
of toestand van het externe relais), dan worden de veiligheidsrelais
uitgeschakeld. Na het inschakelen van de motor via het externe relais
wordt de functie van de naderingsschakelaars getest. Vijf seconden
na het inschakelen van het externe relais moet de geprogrammeerde
grensfrequentie aan de cyclische ingangen overschreden zijn. Is dit niet het
geval, dan geeft de stilstandsbewaker een fout aan. Foutmeldingen leiden
tot het uitschakelen van de veiligheidsrelais.
Indien twee naderingsschakelaars aangesloten zijn
Wordt de bovenste of onderste grensfrequentie overschreden, dan
worden de frequenties van de beide naderingsschakelaars vergeleken.
Een afwijking van meer dan 30% wordt als foutief beoordeeld en
weergegeven. De gele LED knippert (zie ISD tabel).
Ingangen
X1:
aansluiting voor naderingsschakelaar 1 (24 VDC)
X2:
aansluiting voor naderingsschakelaar 1 (cyclische ingang)
X3:
aansluiting voor naderingsschakelaar 2 (24 VDC)
X4:
aansluiting voor naderingsschakelaar 2 (cyclische ingang)
of brug met X2
X5:
aansluiting voor resetknop (24 VDC)
X6:
aansluiting voor resetknop
X8:
aansluiting voor bijkomend stilstandsignaal "high":
stilstand "low": motor loopt
EN ISO 13849-1; IEC 61508
-7
/ h; geldt voor toepassingen tot
max. 50.000 schakelcycli/jaar
en met max. 80 % contactlast.
Afwijkende toepassingen op aanvraag.
Uitgangen
FWS 2106:
tot d
tot 3
FWS 2506:
Transistor hulpuitgangen Y1/Y2
tot 2
Y1: "vrijgave"; de vrijgavecontacten zijn gesloten
20 jaar
Y2: "storing"; als de veiligheidsstilstandsbewaker een storing, dan wordt
Y2 ingeschakeld.
Resetingang
Een "high" signaal aan X6 wist alle gedetecteerde storingen van
de veiligheidsstilstandsbewaker en leidt tot de uitschakeling van de
veiligheidsrelais.
Opmerking
De bijkomende uitgangen Y1 en Y2 mogen niet in het
veiligheidscircuit geïntegreerd worden. De toevoerkabels van de beide
naderingsschakelaars (spanningstoevoer) moeten zo gelegd worden
dat bij kabelbreuk altijd slechts een naderingsschakelaar zonder
spanning valt (stervormige bedrading). Volgens EN ISO 13849-1,
categorie 3, mag een individuele fout of storing niet tot het verlies van
veiligheid leiden.
6. Gebruik en onderhoud
6.1 Functietest
De veiligheidsfunctie van de veiligheidsmodule moet getest worden.
Hierbij moet vooraf het volgende gegarandeerd zijn:
1. Bevestiging van de veiligheidsmodule
2. De toevoerkabel dient intact te zijn
6.2 Onderhoud
Bij een correcte installatie en doelmatig gebruik vereist de
veiligheidsmodule geen onderhoud.
Wij raden een regelmatige visuele inspectie en functietest aan, inclusief
de volgende stappen:
• Bevestiging van de veiligheidsmodule controleren.
• Voedingskabel op eventuele beschadigingen controleren.
Beschadigde of defecte componenten moeten onmiddellijk
vervangen worden.
7. Demontage en afvalverwijdering
7.1 Demontage
De veiligheidsmodule mag uitsluitend in spanningsloze toestand
gedemonteerd worden.
7.2 Afvalverwijdering
De veiligheidsmodule moet op een correcte manier volgens de
geldende nationale voorschriften en wetgevingen afgevoerd worden.
NL
(13/14) maakcontact voor veiligheidsfuncties
(vrijgavecontact)
(13/14)-(23/24)-(33/34)-(43/44) maakcontact
voor veiigheidsfuncties (vrijgavecontact)(51/52)
verbreekcontact voor signaliseringsdoeleinden
FWS 2106
FWS 2506
3