ALARMEN
De PLUS doseerpomp kan toezien op het correct functioneren van het systeem en om alarmerende situaties te kunnen
signaleren indien die voorkomen. Met behulp van de volgende alarmen kunnen problemen worden gesignaleerd:
alle alarmen worden allen aangegeven met rode LED lichtjes op het bedieningspaneel en op de display. Het switchen
van het alarm relais zal gelijktijdig gebeuren (contacten 19,20 en 21 fig. 9) indien deze is ingeschakeld waar het op van
toepassing is, in te stellen door middel van de verschillende configuratie menu's.
Niveau alarm
De vlotter sensor signaleert wanneer de vloeistof die gedoseerd moet worden op is in de tank. De pomp zal afslaan, wat
de alarm status zal aangeven. Verbindt de vlotter aan de pomp schakelkast (zie fig. 9), in overeenstemming met de klemmen
5 en 6, en plaats het in de opslagtank dat het additief bevat dat moet worden gedoseerd. Om valse alarmen te voorkomen
door fluctuaties in het vloeistofniveau zelf zal het alarm pas afgaan na een vertraging van ten minste 3 seconden.
Flow relais alarm
Het elektronische circuit van de pomp registreert elke klap die door de elektromagneet gegeven wordt, dat gematcht
wordt met een injectie van het product vanuit het pomphuis. In sommige gevallen kan het voorkomen dat de injectie niet
voorkomt als een gevolg van versleten onderdelen: het pomphuis, de ventielen, de O-ringen, de aanwezigheid van lucht, etc.
Als de pomp is uitgerust met een flow switch (hydraulisch apparaat dat de flow toont), zal deze indien de gemiste
injecties die zich voordoen binnen de bemonsteringsinterval de ingestelde parameters te boven komt, het flow relais alarm
doen afslaan en de injecties doen stoppen. De parameters die vervolgens moeten worden ingesteld zijn als volgt:
REFERENTIE PULSEN
MAX. VERSCHIL
Om deze functie beter uit te leggen, neem bijvoorbeeld een bemonsterd interval dat afgesteld is op 100 pulsen en een
maximum toelaatbaar verschil van 10 pulsen. Het circuit onthoudt de pulsen van de elektromagneet en in overeenkomst met
elk van deze zal het een corresponderend sluiten van het contact van de flow switch verwachten die verbonden is aan het
hydraulische afleveringsgedeelte van de pomp. Als de gemeten sluitingen groter of gelijk zijn aan 90 (100-10 = 90), dan
functioneert de pomp normaal en herhaalt de volgende bemonstering cyclus. Als de gemeten sluitingen minder dan 90 zijn,
dan zal pomp in alarm modus gaan, en de situatie signaleren op de manier zoals boven beschreven.
In het programmeer menu kun je kiezen of u de dosering WEL of NIET wil STOPPEN in het geval van een alarm.
Meter puls alarm
Het meter puls alarm activeert in de Multi applicatieve operationele modes, namelijk 1 x N (m), PPM en ml x m3.
Dit alarm wordt geactiveerd wanneer een aantal pulsen gegenereerd door de meter zodanig oploopt dat de pomp op
een frequentie moet lopen hoger dan het maximum. Deze gebeurtenis kan worden gegenereerd door een incorrecte
programmatie of een incorrecte keuze met betrekking tot de meter of door de doseerpomp in relatie tot de wijze waarop deze
is geïnstalleerd. De gebruiker in het programmeermenu kan kiezen of dit alarm gewenst is. Het is aanbevolen om dit alarm
aan te zetten zodat u zekerder kan zijn van een correcte dosering en een check ter meting van de grootte ervan. Het is ook
mogelijk in het programmeer menu te kiezen of het gewenst is dat de doseringen stoppen in het geval van een alarm.
Het alarm zal afgaan wanneer het aantal injecties dat is opgeslagen in het geheugen maar niet afgegeven is de waarde
4 x N overstijgt, waar N het aantal injecties is dat moet worden gegeven voor elke meter puls. Op de pomp display wordt het
aantal injecties dat nog moet worden afgegeven weergegeven in de dynamische mode. De keuze factor 4 is een makkelijke
manier om te voorkomen dat incidentele fenomenen een vals alarm zullen veroorzaken.
Niveau alarm
Flow relais alarm
Meter puls alarm die optreedt in de 1xN (M) functie
Meter puls alarm in PPM
Meter puls alarm in ml X m
OVERBELASTING alarm
ONDERBELASTING alarm
3
Het aantal pulsen dat het circuit bemonsterd.
Maximaal aantal toelaatbare pulsen binnen het bemonsterde
interval dat niet effectief kan worden voorzien.
ENGLISH 81