3. BESCHRIJVING VAN ALLE FUNCTIES EN MENU-ITEMS
OPMERKING: Uw Safescan TA-terminal wordt geleverd met de optimale instellingen vooraf in de fabriek ingesteld. Het veranderen van
een deel van de instellingen van de machine kan problemen met de werking van het apparaat veroorzaken. Tenzij u zeker bent van de
veranderingen die u maakt, wordt aanbevolen om de instellingen van het apparaat niet te wijzigen. Bij twijfel, neem contact op met de
technische supportafdeling van Safescan voor hulp.
3.1 GEBRUIKERSBEHEER
Dit gedeelte bevat gebruikergerelateerde functies.
Nieuwe gebruiker - een nieuwe gebruiker registreren.
1. Gebruikers-ID - Unieke identificatie voor de gebruiker in de terminal. Wij raden aan om de suggestie van de gebruikers-ID van de terminal te volgen.
2. Naam - De gebruikersnaam zal elke keer dat een gebruiker een klokactie op de terminal uitvoert worden weergegeven.
3. Soort gebruiker- Er zijn twee gebruikersfuncties Super Admin en standaard gebruiker. De super administrator heeft het toegangsrecht tot alle
functies van de terminal. Bovendien kunt u gebruiker-gedefinieerde functies creëren. U kunt elk menu-item toewijzen aan deze gebruikergedefinieerde
functies. Een standaard gebruiker heeft alleen het recht om klokacties uit te voeren en zijn/haar eigen eerdere klokgegevens te bekijken.
4. Vingerafdruk - Registreer de vingerafdruk van de gebruiker
5. Wachtwoord - Een wachtwoord registreren voor de gebruiker (alleen cijfers, maximaal 8 cijfers).
6. Vervalregel gebruiker. Bepaal welke vervalregel van toepassing is op de gebruiker. Opmerking: vervalregels moeten worden ingeschakeld in
"Systeem -> Aanwezigheid".
Vervalregel opties:
6.1
Geen. Er is geen vervalregel van toepassing op de gebruiker.
6.2. Vervaldatum. De vervalregel wordt toegepast op een bepaalde datum.
6.3. Klokacties. De vervalregel wordt toegepast na een bepaalde hoeveelheid klokacties.
6.4. Verlopen datum en ingaven. De vervalregel wordt toegepast na een bepaalde hoeveelheid klokacties binnen een bepaalde termijn.
7.
Toegangscontroleregel. Bepaal de instellingen voor toegangsbeheer voor de gebruiker.
7.1. Toegangsgroep. Koppel de gebruiker aan een specifieke toegangsgroep.
7.2. Verificatiemodus. Selecteer de verificatiemodus om toe te passen op de gebruiker. Het kan deze omschreven voor de groep, of een andere zijn.
7.3. Dwang vingerafdruk. Bepaal een vingerafdruk dat het alarm zal activeren wanneer de gebruiker wordt gedwongen om de deur onder dwang
te openen.
7.4. Pas groep tijdsperiode toe. Het is mogelijk om de groepsperiode toe te passen voor de gebruiker of om een andere eerder gedefinieerde
periode te selecteren.
8. Alle gebruikers - Geeft een lijst weer van alle gebruikers die in de terminal zijn geregistreerd, en waar u - indien nodig - een gebruiker kunt
bewerken of verwijderen.
3.2 SOORT GEBRUIKER
Creëer, bewerk en activeer aangepaste soorten gebruikers. Een maximum van drie verschillende soorten gebruikers kunnen worden gedefinieerd en
beheerd.
1. Zelf geedefinieerde soort gebruiker
1.1. Schakel zelf gedefinieerde regel in - Stel de functie in als actief of inactief.
1.2. Naam - Bepaal een naam voor de functie.
1.3. Definieer soort gebruiker - Selecteer de actieve menu-items voor de soort gebruiker.
3.3 COMMUNICATIE
Instelling van de communicatie tussen het apparaat en een netwerk.
1. Ethernet - Beheer de LAN-verbindingsinstellingen.
1.1. IP-adres - Het standaard IP-adres van het apparaat is 192.168.1.201, het is mogelijk dat u dit moet veranderen op basis van uw
netwerkinstellingen.
1.2. Subnet Mask - De standaardwaarde is 255.255.255.0, u kunt het veranderen als dat nodig is.
1.3. Gateway - De standaardwaarde is 0.0.0.0, u kunt het veranderen als dat nodig is.
1.4. DNS - De standaardwaarde is 0.0.0.0, u kunt het veranderen als dat nodig is.
1.5. TCP COMM Port - De standaard communicatiepoort is 4370, verander dit niet tenzij uitdrukkelijk geïnstrueerd door een Safescan erkende
technicus.
1.6. DHCP - Dynamic Host Configuration Protocol, gebruikt door een server om een IP-adres dynamisch toe te wijzen aan het apparaat.
1.7. Weergave in de statusbalk - Activeer het netwerkstatusinformatie-pictogram op het hoofdscherm van het apparaat.
2. Serieel comm
2.1. USB. Schakel de USB-poort van het apparaat in voor communicatie met een PC. Dit mag alleen worden ingeschakeld op verzoek van een
Safescan technicus om speciaal onderhoud uit te voeren.
3.
PC connectie - Maak verbinding tussen de terminal en een pc.
3.1. Comm Sleutel - U kunt een wachtwoord op de terminal instellen die zal moeten ingevoerd worden in de pc-software. Standaard is er geen
www.safescan.com
29