INSTALLATIE
2. INSTALLATIE
Het toestel moet worden geïnstalleerd door een erkend installateur in overeenstemming met deze
handleiding en de nationaal en lokaal geldende bouw- en veiligheidsvoorschriften. Onjuiste installa-
tie kan leiden tot productstoringen, verminderde prestaties, trillingen of een hoger geluidsniveau.
–
Het toestel heeft mogelijks scherpe randen; draag gepaste bescherming tijdens de installatie/
onderhoud.
– Alle afmetingen aangegeven in de handleiding moeten worden gerespecteerd om de prestaties
te garanderen en om installatie en onderhoud mogelijk te maken. Voorzie extra ruimte indien
ventielen moeten worden geinstalleerd.
– Om veiligheidsredenen zijn geen pluggen meegeleverd. Contacteer uw speciaalzaak voor het
juiste type.
– Zorg dat trillingen niet kunnen worden overgedragen tussen verschillende elementen d.m.v.
contactgeluisisolatie.
– Indien koeling: isoleer de hydraulische leidingen.
– Wanneer de condensafvoerleidingen op het toestel worden aangesloten, moet het buizensysteem
voldoende worden ondersteund, zodat bij (eventule) belasting van de leidingen deze niet op het
condensafvoerbakje van het toestel komt.
Richtlijnen plaatsing toestel:
– Wand-/plafondtoestel: wand/plafond waarop het toestel wordt geinstalleerd, moet perfect vlak en
sterk genoeg zijn om het gewicht te dragen en mag geen buizen of elektrische draden bevatten.
– Geen obstakels in de directe omgeving die de inlaat- en uitlaatluchtstroom kunnen hinderen.
Opstarten
Het (her)opstarten en in bedrijf stellen van het toestel moet worden uitgevoerd door professio-
neel gekwalificeerd personeel. Controleer voorafgaand of:
– het toestel correct is geplaatst.
– de toevoer- en retourleidingen correct zijn aangesloten en -indien koeling- geïsoleerd.
– de leidingen zuiver zijn en de lucht verwijderd.
– de ventilatieroosters, warmtewisselaars en condensaatafvoer zuiver zijn.
– de bedradingsaansluitingen correct en goed vastgedraaid zijn.
– de voedingsspanning correct is.
Laat het toestel minimaal 3 uur op de hoogste stand draaien en controleer op afwijkingen.
SYMBOLEN
3. SYMBOLEN
Gevaarteken
Gevaar: componenten onder spanning
Gevaar: scherpe onderdelen / randen
Gevaar: hete componenten / oppervlaktes
Gevaar: bewegende onderdelen
Opgelet: belangrijke waarschuwing / mededeling
Milieu-bescherming teken
VDC - gelijkstroom
VAC - wisselstroom
4