Luchtklep tot bouwgrootte SL 44
De vereiste luchthoeveelheid wordt ingesteld door mid-
del van de stelschroef 3. De bovenkant van de schroef-
kop op „0" betekent „Min"-instelling.
De luchtklep wordt geopend of gesloten tot het roet-
beeld een olievrije kleur „0 - 1" vertoont.
Instellen van de luchtklep tot bouwgrootte SL 44
Ga voor het instellen van de luchtklep als volgt te werk:
1. Draai de kartelmoer 4 los.
2. Verdraai de stelschroef 3.
3. Houd er rekening mee dat in de regel betekent:
rechts draaien
links draaien
4. Zet na geschiede instelling de stelschroef weer vast
met de kartelmoer.
Aanvullende instructies
◊ Als de vlam bij volledig geopende klep roet of af-
scheurt, dan moet met behulp van de secundaire
luchtinstelling de verdichting achter de stuwschijf ver-
kleind worden.
◊ Eventueel kan het ook vereist zijn om het luchtinlaat-
mondstuk verder te openen.
Bij branders vanaf bouwgrootte SL 55/2 gebeurt de
instelling van de luchtklep via een stelmotor.
Zie speciale instelinstructies luchtklep!
Instellen van de pompdruk
Bij de ingebruikname en elk onderhoud moet de olie-
druk ingesteld resp. gecontroleerd worden.
Laat de pomp niet lopen zonder olie!
Stel de pompdruk als volgt in.
1. Verwijder de stop aan de meetopening „P".
2. Monteer de oliemanometer
3. Open alle olieafsluitinrichtingen.
4. Schakel de brander in.
5. Stel de vereiste oliedruk in al naargelang verstuiver-
grootte en capaciteit van het apparaat.
6. Schakel de brander uit.
7. Demonteer de oliemanometer.
8. Zet de stop incl. dichting weer erin.
3
4
= minder lucht
= meer lucht
Meting van de verbrandingsgassen
Elke stationaire stookinstallatie moet conform de 1
Duitse immissiebeschermingsverordening (1. BImSchV)
gecontroleerd worden door meting van de afvoergas-
waarden.
De exploitant is verplicht om uiterlijk 4 weken na inge-
bruikname van de stookinstallatie deze door de dis-
trictsschoorsteenvegermeester door metingen te laten
controleren. Bovendien moet er conform §§ 9 en 15 van
de 1. BImSchV een jaarlijkse controle van de immissie-
waarden worden uitgevoerd door de districtsschoor-
steenvegermeester (oliederivaten, roet, afvoergasver-
lies).
De berekening van de afvoergasverliezen gebeurt vol-
gens de volgende formule:
q
= (t
- t
A
A
L
q
= afvoergasverlies in %
A
t
= afvoergastemperatuur in °C
A
t
= verbrandingsluchttemperatuur in °C
L
CO
= volumegehalte aan kooldioxide in
2
droog afvoergas
A
= 0,5
(brandstofspecifieke constante)
1
B
= 0,007 (brandstofspecifieke constante)
Decimale waarden worden afgerond op 0,5, boven 0,5
naar boven.
Belangrijke informatie
Alle REMKO standaard verwarmingsautomaten moeten
in principe werken met nominale belasting.
Alle tweetraps branderuitvoeringen mogen alleen wer-
ken in de tweede brandertrap. De eerste brandertrap
mag uitsluitend gebruikt worden als startontlasting!
Om de optimale werking van de brander te garanderen
wordt erop gewezen dat er een jaarlijks onderhoud con-
form DIN 4755 moet worden uitgevoerd. Met het oog
hierop is het raadzaam om een onderhoudscontract
af te sluiten.
Bij niet-naleving van de bedrijfsafhankelijke reinigings-
en branderinstelintervallen vervalt elk recht op garantie.
Het bewijs van de uitgevoerde werkzaamheden door
geautoriseerd vakpersoneel is daarom dringend vereist.
Er moet een dienovereenkomstig meetprotocol worden
opgesteld.
Een ander bedrijf/bediening dan beschreven in de-
ze handleiding is niet toegelaten!
Bij niet-inachtneming vervalt elke aansprakelijk-
heid en het recht op garantie.
Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de be-
steller of diens afnemer binnen een redelijke tijd ten
aanzien van verkoop en ingebruikname het bij elke
REMKO stookautomaat gevoegde
„Garantiecertificaat" volledig ingevuld heeft terugge-
zonden aan REMKO GmbH & Co. KG.
(
)
A
1
+B
) x
CO
2
ste
7