Opladen
Het laden begint zodra het oplaadapparaat met de accu of de
laadbus aan de fiets en het stroomnet verbonden is.
Opmerking: Het opladen is alleen mogelijk als de temperatuur van
de accu binnen het toegestane oplaadtemperatuurbereik ligt.
Opmerking: Tijdens het laden wordt de Drive Unit gedeactiveerd.
Het laden van de accu is met en zonder bedieningscomputer
mogelijk. Zonder bedieningscomputer kan het laden alleen aan de
acculaadtoestandsindicatie gecontroleerd worden.
Bij aangesloten bedieningscomputer wordt de achtergrond-
verlichting van het display bij lage lichtsterkte ingeschakeld en in de
tekstweergave verschijnt „fiets wordt opgelad. " .
De bedieningscomputer kan tijdens het laden afgenomen of ook pas
bij het begin van de laadbewerking geplaatst worden.
De laadtoestand wordt met de acculaadtoestandsindicatie a3 aan
de accu en met de balken op de bedieningscomputer weergegeven.
Bij het laden van de hoofdaccu aan de fiets kan ook de accu van de
bedieningscomputer geladen worden.
Tijdens het opladen branden de leds van de oplaadindicatie a3 op
de accu. Elke continu brandende led komt overeen met ca. 20% van
de capaciteit van de lading. De knipperende led geeft het opladen
van de volgende 20% aan.
■ Wees voorzichtig als u het oplaadapparaat tijdens het opladen
aanraakt. Draag werkhandschoenen. Het oplaadapparaat kan
in het bijzonder bij hoge omgevingstemperaturen zeer heet
worden.
Is de accu volledig geladen, dan gaan de LED's onmiddellijk uit en de
bedieningscomputer wordt uitgeschakeld. De laadbewerking wordt
beëindigd. Door het indrukken van de aan-/uittoets a4 kan de
laadtoestand gedurende 3 seconden weergegeven worden.
Koppel het oplaadapparaat los van het stroomnet en de accu van
het oplaadapparaat.
Als de accu van het oplaadapparaat wordt losgekoppeld, wordt de
accu automatisch uitgeschakeld.
Opmerking: Als u aan de fiets geladen hebt, sluit dan na de
laadbewerking de laadbus C6 zorgvuldig met de afdekking C7 zodat
er geen vuil of water kan indringen.
Als het oplaadapparaat na het laden niet van de accu gescheiden
wordt, dan schakelt het laadapparaat na een paar uur opnieuw in,
controleert het de laadtoestand van de accu en begint eveneens
opnieuw met de laadbewerking.
E-series Supplement bij de handleiding - 130374
Oorzaken en oplossingen van fouten
Oorzaak
Accu defect
Accu te warm of te koud
geen opladen mogelijk (geen indicatie op accu)
Stekker niet goed ingestoken
Contacten van accu vuil
Stopcontact, kabel of
oplaadapparaat defect
Accu defect
Oplossing
Twee leds op de accu
knipperen.
Contact opnemen met erkende
rijwielhandel
Drie leds op de accu
knipperen.
Accu van het oplaadapparaat
scheiden tot het laadtempe-
ratuurbereik bereikt is.Sluit
de accu pas weer aan op het
oplaadapparaat als deze de
toegestane oplaadtempe-
ratuur heeft bereikt.
Alle insteekverbindingen
controleren
Contacten van accu voorzichtig
reinigen
Netspanning controleren,
oplaadapparaat door rijwiel-
handel laten controleren
Contact opnemen met erkende
rijwielhandel
89