relaisinterface
Voor het verbinden van 2
kabels verwisselt u de
vooringestelde kabelklem
met de bijgeleverde
versie en zet u de kabels
vast met de kabelklem
zoals weergegeven in de
figuur links.
Airconditioner
Touchscreen bediener of
server
Verbind de aardleiding met de
aardaansluiting op het chassis.
Stroomtoevoer
220 V-240 VAC
(50/60 Hz)
Verbind de stroomtoevoerkabel en
de aardleiding met de terminals,
door middel van ringterminals met
geïsoleerde voering.
VEREISTE
Ontkoppel het apparaat van de hoofdstroomtoevoer.
Deze toepassing moet worden verbonden met de hoofdstroomtoevoer door middel van een stroombreker of een schakelaar
met contactscheiding van minstens 3 mm.
Bevestig de schroeven aan de terminal met 0,5 Nm torsiekracht.
Draadsverbinding
Het volgende beschrijft een voorbeeld van een verbinding waarbij twee of meer relaisinterface units worden
gebruikt.
Afsluitingsweerstand instelling (Zie "6 Instelling" voor de instellingsmethode.)
• Zet de RS-485 afsluitingsweerstand op "120 ohm" voor adres1 (relaisinterface adres SW1=1) relaisinterface unit
en zet op "open" voor overige units.
• Zet de TCC-LINK afsluitingsweerstand op "open", zoals ingesteld op de airconditionerzijde.
Afgeschermde aarding
• De RS-485 communicatiekabel moet op adres 1 worden geaard (relaisinterface adres SW=1) relaisinterface.
Bevestig de afgeschermde draad van de RS-485-communicatiekabel met de metalen kabelklem en schroef hem
aan het chassis vast om te aarden. De afgeschermde draden moeten worden gekrimpt met afgesloten
connectors op interfaces met een adres anders dan 1. De einden van de afgeschermde draad moeten worden
geïsoleerd en open gelaten.
• Sluit de afscherming niet aan op de aansluitklem. Die moet open en geïsoleerd zijn. De TCC-LINK-
communicatiekabel moet geaard zijn aan de airconditioner.
De TCC-LINK-
communicatiekabel moet
geaard zijn aan de
airconditioner. Sluit de
afscherming niet aan op de
aansluitklem. Die moet open
en geïsoleerd zijn.
SW8
1 2
– 6 –
Installatiehandleiding
De RS-485 communicatiekabel moet op
adres 1 worden geaard (relaisinterface adres
SW=1) relaisinterface. De afgeschermde
draden moeten worden gekrimpt met
afgesloten connectors op interfaces met een
adres anders dan 1. De einden van de
afgeschermde draad moeten worden
geïsoleerd en open gelaten.
LED4
LED2
LED5
LED3
SW2
SW1
SW3
1 2 3 4
SW5
SW6
SW7
SW4
LED1
NL
6-NL